Die liggen in de schoot van haar groene jurk en de handschoenen zijn blauw, zijn onmiskenbaar hemelsblauw. Haar eigen ogen blijven eraan haken, ze kan ze niet meer losheffen, haar hoofd vloog in vlam, gloeiend staat het in een wind van spotternij, plotseling rondom haar opgestoken. Ze zou haar handen wel willen verbergen achter haar stoel of erop gaan zitten, maar ze voelt dat de geringste beweging die lispelende wind van spotternij nog aanwakkeren zou. Ze zou ook wel haar benen en voeten uit het gezicht willen trekken, want wat thuis allemaal mooi leek, de ribbeltjeskousen, de Sabbathschoenen, alles werd hier grof en plomp, maar ze is bang ook naar haar benen en voeten die wind van spotternij te richten. Aldoor nog komt er een, komen er twee tezamen binnen, nu is het een meisje... en een wolk van wit, van roze, van lichtblauw strijkt onder de trippende, vlugge schoentjes mee, strijkt met hun vlugge trippen gelijk diep door de spiegelende vloer naar het vrolijke troepje om mijnheer Boutelje toe... nu is het een jongen, en zijn gezicht gloeit als opgezet van kiespijn of koorts boven het koud-glanzende boord... en hij komt langzaam, stijf naar de verlegen rij op de stoeltjes gelopen en gaat zitten en heeft die rij dan weer met een verlengd. Maar ineens begint het daar roerig te worden... een lange jongen struikelde over de drempel en schuifelt nu ongewis de kamer binnen, en op slag geen verveling of verlegenheid meer bij de jongens, fluisteren en proesten vliegt op, vingers wijzen hem tegemoet, ze porren en bonken om eikaars aandacht
148