den in dat woelend, wemelend wit een zwarte plek, mijnheer Boutelje zelf. Hij lacht en praat met de meisjes dichterbij, maar het meest met het allergrootste... die heet Meta... dat weet ze toevallig, omdat ze hetzelfde meisje voorverleden week in een draverij over de hardgevroren, spiegelende sneeuw een tweede prijs heeft zien winnen met wagentje en paard, en dezelfde glinsterende haren woeien toen uit een roodbruine bonten muts. Ze is langer dan mijnheer Boutelje, hij praat naar haar op. Hijzelf kon wel een meisje wezen, met zijn haren langgelokt in zijn nek... niemand in het stadje dan de oude heer Arents, de vroegere tekenmeester, draagt ze zo — en zijn smalle, bleke wangen, en zijn dunne mond, vreemd bloot in zijn snorloos en baardloos gezicht.
Ze is de drempel overgegaan en heeft zich op de spiegelende vloer als op glad ijs gewaagd, het voelde onzeker onder haar verse bolle zolen, haar benen werden stram, ze glipte gauw over naar een van de taaitaaien stoeltjes en is blij dat ze zit. Eigenlijk had ze eerst naar mijnheer Boutelje behoren te gaan, maar ze durft het niet. Ze durft nog minder omdat ze heel stellig weet dat hij haar op de drempel heeft zien staan. Maar hij liet het niet blijken en staat nu half met de rug naar haar toe.
Wat gebeurt er ineens... waar moeten die twee kleine meisjes zo om lachen en nu ook dat grote, dat ze aangestoten hebben? Waar wijzen hun ogen heen? Nieuwsgierig voegt ze er de hare bij en samen gaan ze regelrecht de ruimte door... naar haar eigen handen terug!
147