tree hoger wordt het behaaglijker.
Licht uit een open deur wijst de verdere weg en op de
drempel blijft ze staan.
De kamer is lang en laag en leeg, er slaat een gloed uit als een hete adem, de lucht van het fel-geblakerde ka-chelscherm is met zoete odeuren vermengd. De lampen spiegelen in de gladde, onbeklede vloer, ze spiegelen dieper in de zwarte piano, die staat in het midden aan de korte wand, tussen de hoge, donkere vakken van de raamgordijnen en van elke hoek daarnaast gaat een rij stoeltjes uit, die staan de lange wanden langs en sluiten aan de overkant de grote gouden spiegel in. De stoeltjes hebben matten zittingen en leuningen als glimmend taaitaai met figuren besneden, de gouden spiegel vangt door dé ruimte heen het beeld van de zwarte piano op.
De jongens zitten langs de ene wand. Boven hun koud-witte glimmende boorden, stijf en plat op de kragen der zwarte jasjes, gloeien hun gezichten als opgezet van kiespijn of koorts. Hun voeten staan naast elkaar in een lange spiegelende rij, hun lakschoenen verschillen alleen in grootte, ze hebben allemaal precies hetzelfde model en allemaal dezelfde strik. Ze fluisteren, lachen een beetje, gapen en kijken naar de meisjes, die lieten hun stoeltjes nog leeg en staan naast de piano in een troepje bijeen. En dat is wit... wit... wit... wat je ziet! Wit van lange, strakke glanzende benen, wit van trippende schoentjes, wit van korte jurken, van rokjes als omgekeerde klokjes, luchtig bestrikt, zwierig bestrookt, wit van strikken in glinsterende haren... Mid
146