theekopjes de damp, en zo'n lantaarn lijkt, dichtbij gezien, precies een kristallen huisje, midden in woont de vlam.
Een diepe, donkere gleuf gaat tussen hoge walletjes van opgeduwde sneeuw recht naar het Huis. Het Huis tekent zich grijzig tegen de blankere bomenkro-nen, tegen de blanke, golvende vachten, die de zijpaden hebben bedolven... sinds het sneeuwde is er dus niemand in de achtertuin, is er niemand aan het water geweest!
Van de negen ramen zijn er maar twee, aan de linkerhand boven, helder verlicht, hun schijnsel zweeft als een waas over de sneeuw waar niemand liep... daar zal dus de dansles wezen.
Alles is stil en binnen in haar bonst haar hart. Een man komt uit het huis, die een donkere mantel draagt over de arm en een paar laarsjes in de hand, hij klautert op de bok en het rijtuig maakt zich van zijn rustplaats los en rijdt heen, nu zijn de bellen ineens weer wakker, nu volgen de tinken elkaar niet traag en lui, maar schudden zich samen tot een vlugge veel-klankige rinkeling, die al dieper zich wegboort de verte in.
,Voor de dansles? Boven.'
Ze is in het huis. Ze is in het Huis 1775, ze ademt de lucht van het Huis 1775, het is er koud en benauwd, het is er donker voor wie in een rijtuiglantaarn heeft staan staren de ganglamp hangt hoog en brandt laag, maar langs de trappen stroomt, als in een koude, diepe bak, de warmte van boven af neer en met elke
145