een roodgouden brand, het water over, de ramen van de achtergevel in en sloeg de ramen aan de voorkant weer uit. Het was najaar, het had gestormd, het was warm en koud tegelijk, zulk weer, dat je rilt zodra je stil staat maar dadelijk gaat zweten als je loopt. Er joegen zwarte wolken de hemel over... en nu en dan viel een regendroppel. De avond was nabij... en het huis straalde lamplicht uit al zijn kamers, overal was gloed van vuren; voor een dansfeest waren talloze gasten aangereden... en het hele huis vervuld van hun zoete, gebloemde leven.
Maar de poort schoof dicht, waaronder uit de gloed van zonsondergang over het water was gekomen, de zwarte wolken sloten zich, plotseling doofden de vuren, alle lampen gingen uit...
En dan voel je, o, dan voel je, dat verre landen toch bereikbaar zijn, China, Cuba, Afrika, al zul je ze ook je leven lang niet betreden, toch bereikbaar met voorbije tijden vergeleken. Voorbij... dat alleen is onherroepelijk.
Die andere avond, met volle maan, toen was het veel later in het jaar, toen lag er al sneeuw en ook de wolken leken dunne, sneeuwen vliezen, of eigenlijk leken ze nog meer op tot de draad versleten, witte wollen doeken, die hingen als gordijnen over het nachtelijk blauw voor de maan gespannen, maar konden zijn licht niet doven, énkel het uitpletten tot een grote, zilveren krans, over de halve hemel. En in die schijn lag het 'Huis 1775' als vol met levende, slapende mensen... achter gebloemde gordijnen ademden ze rustig, de da
137