de dames hadden haar wijde japonnen van zijde en satijn gemaakt... de heren hun broeken en jassen net zo goed... of ze hadden broeken van effen fluweel... en dan jassen van gebloemd satijn. Gebloemd satijn... O ja, ze hielden veel van gebloemd in die tijd. Gebloemde zijden en satijnen gordijnen... gebloemde zijden en satijnen overtrekken op de stoelen... Dus was... dus was het hele leven toen eigenlijk gebloemd? Juffrouw Geel heeft haar aangekeken en gelachen en haar gelijk gegeven: het hele leven was toen gebloemd! 1775. De achttiende eeuw. En ze zat en luisterde in het groene loverschijnsel, in het rossig ruitjesschijnsel en het leek of er in de lucht een zoetigheid was die ze ademde, die haar lichtjes beduizelde, omdat ze plotseling had bedacht: nu hoef ik niets te doen dan de dametjes en heertjes van de lampekap over te brengen naar het Huis 1775, dan huis en tuin met hen te bevolken, dan huis en tuin te vullen met hun zoete gebloemde leven, hun kapsels en kleren, hun glimlachjes, hun ruikers, hun buigingen en hun dans. Toen hoorde ze juffrouw Geel weer spreken. Muziek is èr ook bij, en zou ze die graag willen horen? Ze moest nog wat oppassen met haar been, ze mocht op een stok door de kamer lopen, en ze strompelde naar de piano, die stond in donker tegen de muur en in de toetsen die op lange, gele, vochtig glimmende tanden leken, vloeiden als water de groene schijnselen uit. Ze schoof zich op het stoeltje, voorzichtig, om haar nog zieke been en zei dat ze haar nu die muziek zou laten horen. Dezelfde muziek, waarop de dametjes en heer
133