frouw Joris uit de eerste klas en wie geen raad wist met zijn taak, mocht bij haar thuis komen om hulp. Op een woensdag tegen de schemer, nadat ze de hele middag aan de mindervoet had zitten knoeien, is ze erheen gegaan, niet zozeer om de mindervoet, maar om in }iet huis en de kamer van Juffrouw Geel te mogen binnenkomen. Ze woont aan een grachtje, haar smalle houten huis staat tussen twee nieuwe stenen gevels gedrongen, de ongelijke ramen hebben rossige en groenige ruitjes tussen de gewone in. Midden in haar voortuintje groeit een kleine kastanje, die had toen al een geelgroen tapijtje losjes over het gras gespreid, en in haar achtertuintje kweekt ze kruiden, met reuken dieper en zoeter dan van bloemen, in de venstertjes zie je dezelfde rossige en groenige ruitjes en de bomen staan er zó dicht tegenaan gedrongen, dat het is in die kamer alsof er ergens op een verborgen plek een groene lampion hangt te branden.
Juffrouw Geel vond het bijzonder vlijtig dat ze kwam, het scheen haar zelfs mee te vallen, maar de mindervoet moest uit en de voet moest uit en de kleine hiel moest uit en de grote hiel moest uit... en ze lachten zich allebei haast tranen: ze had de hiel opgezet aan de voorkant van het been! En juffrouw Geel zou het dan nu in vredesnaam zelf maar doen, dat het niet nog weer mislopen zou. Ze moest dan maar terdege opletten hoe het ging, juffrouw Geel lei het haar uit, en ze probeerde te luisteren, maar ze kon niet, ze keek naar de ronde strakke kap van de lamp op haar tafeltje. Die lampekap leek wel wat op een draaimolen, met zes
130