hek zijn losgeraakt en als voorover op hun gezicht in het wilde gras gesmakt en daarna in de afgevallen bladeren al dieper verzonken.
Wanneer je daar nu langs loopt en je leest '1775', en je ziet, door de voorramen, achter de lege ruimten van het huis, naar de dag het oplevert gevuld met grauw of het zilverig licht, de achterramen, en achter de achterramen, het stromende water, al naar het licht is, zilverig of grauw, en boven het dak de bomen en het oude hek in het wilde gras als op zijn gezicht gesmakt, en er is rondom zo'n stilte, dat tot uit de hoogste takken elk ritselingetje in je oren, elk blaadje aan je voeten valt... wat gaat er dan al niet door je heen! Je loopt boordevol, en weet niet waaruit en weet niet waarvan... ïn sproeifonteintjes zweven soms regenbo-gén, zo onzeker dat je het je meent te verbeelden, het oog ziet ze overal gelijk en kan ze nergens grijpen. Toen, ineens, heeft het oude huis bewoners gekregen, ze heeft ze zelf erheen gebracht, ze heeft ze zelf erin gedacht, want vanzelf spreekt dat het geen levende wezens, geen mensen van deze wereld waren. Die bewoners van het 'Huis 1775' heeft ze gevonden... op de lampekap bij juffrouw Geel.
Juffrouw Geel is de handwerkjuffrouw die zo lekker ruikt, en die haar van het begin af heeft mogen lijden, en die dadelijk tegen haar zei: 'jij bent zeker wel knapper in andere dingen' - die morgen toen ze haar kistje had laten zien! Ze heeft in de grote vakantie haar been gebroken en mocht niet dadelijk toen de school begon weer komen. Ze liet taken opgeven door juf
129