ramen van kleine ruitjes toe, twee aan weerszijden van een lange, smalle deur, vijf in de rij daarboven. En boven al die ramen en boven de deur slingeren zich bloemfestoenen van knobbelige grijze steen, die zitten dik onder de zwarte pikkels, die zijn groezelig en geschilferd en geschonden, en niettemin... Wonderlijk... wonderlijk... dat er uit bloemen gedrukt op papier en uit bloemen geweven in stof en zelfs uit bloemen van grauwe steen een liefelijkheid, een betovering tot je komt, zoals echte bloemen je niet geven. Bloemenslingers op behangselpapier, over zuiltjes als rechtopstaande notenbalken gewonden, bloemkorfjes op roomwit mousseline, of over dun batist los en luchtig uitgestrooide roosjes... wat zou het toch zijn? Het doet je smelten, je bent de winkelramen niet voorbij te krijgen, en iets daarvan voelt ze tot zich komen uit de bloemenfestoenen boven de vensters van het oude, lege huis.
Omdat het daar zo ver beneden zijn stand tussen werfjes en winkeltjes staat, is het jaren leeggebleven —, een lamme oude heer heeft er het laatst gewoond, met de knecht die zijn wagentje reed en is er ook gestorven. Boven de deur staat het jaartal, gesneden in steen: 1775. Het is dus een huis uit de achttiende eeuw, en langer al dan honderd jaar, veel langer zelfs, want het is nu 1893 en 1893 ging alweer bijna voorbij, staat het daar nu in zijn tuin en die tuin is verwilderd en verwaarloosd en verlaten als een oud kerkhof uit een verhaal, vol kleuren die niemand ziet, vol reuken waar geen mens iets aan heeft en brokken van het ijzeren
128