ver, om dezelfde reden, maar toch niet te duur, omdat
een vestiging toch al een hele onderneming is! Zo heeft
ze er voortdurend over horen spreken.
'Heeft dus mijnheer Boutelje een huis naar zijn zin
gevonden?'
'Ja, en zelfs een heel geschikt, aan de Oostervaart-weg.'
Zo iets is wonderlijk! Op dat ogenblik niet eens te vermoeden dat ze hetzelfde huis bedoelen. Terwijl ze het toch heeft zien schilderen, behandelen, bijwerken, de tuin heeft zien ordenen, de meubels heeft zien binnendragen, de gordijnen achter de ramen heeft zien te voorschijn komen, de donkere zware eerst en de lichte dunne toen... en alles in dezelfde tijd dat er thuis telkens sprake was van mijnheer Boutelje en zijn zuster, van hun vestiging in de kille, en of hij lid van de gewre wou worden, of hij vroom of 'vrij' zou blijken te zijn, en of ze een koosjere huishouding zouden voeren en of hij geregeld sjoel zou komen. En dan nog aan niets te denken. O, maar ze begrijpt het eigenlijk wel: het huis was nimmer van deze wereld en zelfs het schilderen en opknappen en inrichten heeft het niet tot iets van deze wereld kunnen maken.
Aan de Oostervaartweg staat het als verdwaald tussen werfjes en winkeltjes, en lang voor die werfjes en winkeltjes er waren stond het er al, eenzaam in zijn tuin, die naar het water glooit, eenzaam tussen poelen en plassen en rietland en weiden in. Het is een grauwgeel blok van een vierkant huis, het keert naar de straatkant, diep uit zijn tuin, niet minder dan negen smalle
127