er alleen, eerst de eerste verrassing... en een ogenblik later de tweede, de, grote verrassing, die haar dan ook eigenlijk pas die machtige stoot gaf naar die hoge vreugdetop!
Altijd opnieuw, altijd weer zal ze dat ogenblik willen herdenken... altijd opnieuw, altijd weer zal het onderduiken in die herdenking haar dezelfde warmte van blijde verwondering schenken: hoe het kwam, hoe precies het allemaal toeging, hoe de dag was, waarop ze het te horen kreeg... Niets was bijzonder, niets wees op iets bijzonders. De uren school gewoon en vreugdeloos voorbijgeslopen als zovele dagen, de dag als vele, een vlakke, vale novemberdag... en evenmin enig prettig vooruitzicht voor het eten... geen schelvis, geen boerenkool, geen warm vlees, niemendal... En nu laat ze Vader de woorden weer zeggen, nu laat ze dezelfde woorden van Vader weer in zich klinken: 'Jij gaat van jde winter bij mijnheer Boutelje naar de dansles toe.'
Je moet wat zeggen, je wilt wat vragen, je kunt niet als een vis staan gapen. Over de dansles... of over mijnheer Boutelje. Maar 'dansles' betekent nog helemaal niets... en mijnheer Boutelje betekent voorlopig maar alleen, dat hij een huis zocht en met het vinden van dat huis zoveel moeite had. Het moest ook wel heel iets bijzonders zijn, dat huis, met ruimte voor mijnheer Boutelje, om dansles te geven en voor zijn zuster, om lessen in 'filigraan' en 'frivolité' te geven, en dan op goede stand, of de rijke mensen willen niet komen, en sturen er hun kinderen niet heen, en dan niet te
126