schoenen op de tafel achter.
Wonderlijk... en ze heeft witte handschoenen! Nu is ze dan van die laatste zorg ook weer verlost en ze kan het verlangen terug laten komen, naar de avond, naar de lange avond, die reikt als een glanzende baan vooruit een heel eind in wat anders al 'nacht' zou hetende avond die haar het nieuwe brengen zal... maar even sterk naast het verlangen staat, voor dat nieuwe, de angst... De zekerheid, dat alles in orde is, dat je er van hoofd tot voeten onberispelijk zult uitzien, geeft anders wel een grote inwendige kracht! Kijk die schoenen-glimmend gepoetst, spiegelend als lak— blank verzoold— gloednieuw bestrikt— en voel eens hoe zacht de ribbeltjeskousen, en denk dan eens aan de jurk... maar het ogenblik is lang nog niet daar... een toertje breien zal het wachten korten.
Ze breit een gele borstrok voor zichzelf, in de was bleekt hij later uit... ze zit... ze vouwt de pennen uit... tast naar de draad— en stijgt ze nu toch weer naar een vreugdetop? Zolang je geen handschoenen hebt, ben je niet zeker dat je ze krijgt, dat geeft een leegte, een onzekerheid, een gat waardoor het tocht— nu heeft ze ze... het lamplicht joeg er het hemelsblauw uit... en ja... nu zit ze gedoken en stijgt weer naar een vreugdetop, met stoel en al, als toen, als die eerste keer, maar o, niet zo hoog als die eerste keer. Nooit daarna meer zo hoog! Toen was het dan ook enkel een toverwoord... toen was het nog zuiver, toen was er nog niets van mensen, van moeilijkheden, van kousen en schoenen bij te pas gekomen. Toen was
125