keer komt er nog een uit de donkere poort, een schoolblijver, die blijft even staan, die aarzelt, omdat het al zo laat is, gooit dan zijn boekenpak tegen de donkere stapel op en voegt zich bij de anderen. 'Maar waar kom jij vandaan? Wat voer jij hier uit?' Dat weet hij toch net zo goed als zij. Het is immers afgesproken dat ze langs deze weg Moeder tegemoet zou gaan, die naar de uitverkoop bij juffrouw Nolle is. Vandaag worden de handschoenen gekocht. En wat gebeurt hier eigenlijk?
O, niets dan wat bijna elke dag gebeurt, niets bijzonders. De Margarine-jongen wordt in de maling genomen. Toen hij de poort uitkwam, hebben ze hem dadelijk beentje gelicht en slepen hem nu op zijn rug door de sneeuw, al een hele poos. Zijn rug nam de sneeuw mee, als likte hij hem op, kijk maar eens wat een spoor, je kunt het rondom volgen, en van de glijbaantjes die glad en glimmend en donker als verborgen watertjes zijn, heeft hij de vers gevallen donsjes afgestreken. 'Wie zijn de twee, die hem bij de benen houden?' Dat zijn Nol Verhoeve en Karei Baard. Karei Baard... is dat niet de jongen die het eerst een velosipé met gelijke wielen heeft gehad? Ja, een 'rover', hij komt er soms op naar school. Maar Nol Verhoeve heeft er nu ook een, en Jan Heins en nog een jongen uit de negende klas.
Wat zullen die twee straks op hun kop krijgen, als ze hem eindelijk loslaten moeten. Dat zal wel eens dienen te gebeuren. Die twee op hun kop? Duidelijk, dat ze de Margarine-jongen niet kent! De Margarine-jon
117