De margarine-jongen
Tussen de witte aarde en de zwarte hemel zingt de wind in de bomen, die half wit als de aarde en half zwart als de hemel zijn. Het is een donker, grommend lied, dat de ruimten van hemel en aarde vervult. Het uur is tussen licht en donker. Even geleden hield het met sneeuwen plotseling op, en elk ogenblik springt nu uit de duistere huizenrij het lichtvak op van een winkelraam, daar binnen de lamp werd aangestoken —, maar in de woonkamers schemeren de zuinige mensen om het theelicht heen en staren zwijgend uit de vensters over de sneeuw. Dromerig loop je, in zulk een uur, door zulk een licht, onder zulk een wind, met verstomde stap je weg van school naar huis. Maar kijk... een oploop, of een vechtpartij. Als een levend geworden silhouettenprent je wriemelt het tegen de sneeuw. Het lijf voorover, de benen in draf, erheen! Moord en doodslag? Niets wat erop lijkt: rondom wordt gejoeld en gelachen.
Jongens sleuren een jongen door de sneeuw, twee hebben hem vast bij zijn omhooggesjorde lange benen en waar zijn rug is gegaan ligt een breed zwart pad in het wit gesneden. De anderen dansen er gillend en joelend omheen en schoppen in de sneeuw dat het stuift. Het zijn de jongens van de Franse School, ze bouwden hun boekenpakken tot een stapel rondom de voet van een boom, ze bouwden er de boomvoet in weg, en elke
116