O, Grootvader, toe Grootvader, lach nu toch ook... want als Grootvader niet gauw gaat lachen, dan zal ze zelf dadelijk gaan huilen, ze weet het zeker, ze voelt het komen...
Jaap Halberstadt zegt, hij heeft wel oren naar trouwen, maar de bruid mag niet ouder dan vijfendertig zijn en ze moet een bruidsschat bezitten van minstens vijfduizend gulden en een compleet stel eigen tanden hebben!
Hoor nu de tantes snikken van de lach, zelfs tante Roos veegt zich de ogen af -, een man van zeventig, zonder geld, en met één enkele tand in zijn mond! Toe Grootvader... Grootvader lach nu toch mee. 'Hoort u wel, hoe gek, wat Jaap daar allemaal zegt? Hij meent het natuurlijk niet... een vrouw met een bruidsschat en met tanden... hij wil natuurlijk helemaal niet trouwen.'
O Grootvader, lach toch, als u niet wilt dat ik ga huilen.
Ze heeft dat natuurlijk geen een keer gezegd, maar Grootvader moet het begrepen hebben. Grootvader kijkt haar aan, en Grootvader lacht... En hij kijkt Jaap Halberstadt aan en hij zegt: 'Jaap, jij bent en jij blijft een verschwartzte nar!'
Nu is alles goed en de Sokkoh davert van de lach, van de echte, rechte, goede lach. Jaaps buik raakt telkens de tafel, kopjes, bordjes, lepeltjes schateren zachtjes rinkelend mee.
Maar als ze nu niet oppast, zal ze zelf nog gaan huilen!