kille thuis, wanneer er sjoeltwisten zijn en de mensen zich in partijen scheiden, precies dezelfde strakke, verbeten monden. Grootvader probeert Jaap Halberstadt aan te kijken, maar die houdt hardnekkig zijn hoofd opzij, hij wil zeker dat strenge gezicht niet zien... en sinds zoëven Grootvaders ogen oom Bram verboden op de tafel te trommelen, geeft er geen mens meer geluid. De rode ranken schuifelen, de wind doet loof en bloem ritselen, maar het klinkt nu alles als een bedroefd zuchten, de zon lijkt bleker geworden. 'Dan zal er niemendal op zitten dan dat ik zo gauw mogelijk maar weer mijn testament veranderen laat.' O, wat is dat aardig van Jaap, wat is dat goed en mooi van Jaap! En wat een verluchting. Niemand vindt dadelijk iets te zeggen, maar iedereen kijkt elkaar aan en iedereen moet plotseling met zijn stoel bewegen of erop verzitten gaan. En tante Essie knikt lachend, met een knipoog, naar oom Bram, maar tante Heintje is de eerste, die iets aardigs weet te zeggen —, ze maakt bezwaar tegen 'zo gauw mogelijk'. Wat heeft Jaap voor een haast? Hij is toch ook, zo goed als Essie, een jonge bloem. Dat vinden ze allemaal: Jaap is een jonge bloem... en ze lachen. Maar Grootvader lacht niet mee. Tante Hfeintje gaat door! Jaap zou, op de keper beschouwd, nog best weer kunnen trouwen. Natuurlijk, waarom niet, aan elke vinger één. En zij lachen weer, en zij zelf schatert het nu uit, maar Grootvader lacht nog altijd niet mee.
Grootvader lacht niet mee, en de anderen lachen niet echt.
114