Iedereen kijkt op, om Grootvaders stem. En nu ze Grootvaders gezicht zien, trekt ieders mond zich strak en ieders lach vloeit uit zijn ogen weg. 'Waarom mag ik die ring niet meenemen in mijn kei-wer?'
Ze kijkt van Grootvader naar Jaap Halberstadt en weer naar Grootvader terug. Ja... waarom mag het eigenlijk niet? *
O, is het dat? Omdat die ring, als de schroef van een doodkist, in de grond van een gewone begraafplaats heeft gezeten, daarom hoort hij nu op een Joods Beis-Chajiem niet meer thuis!
Ze kijken elkaar aan en ze kijken weer vóór zich. Jaap Halberstadt draait aan zijn ring, hij praat in zich zelf: 'Zo nauw zal de Mosjiëag het wel niet nemen.' Stt... zo wat zegt men niet! Tante Roos kijkt streng, tante Heintje kijkt bang, tante Essie is helemaal geschrokken... oom Bram trommelt met zijn vingers op de tafel... mijnheer De Beer en zijn vrouw zitten als wassen beelden... onmogelijk na te gaan, wat ze denken. En het is niet enkel, dringt Grootvader er nu dieper in door, het is niet enkel om het Joodse Beis-Chajiem, het is vooral om de aarde van Erets Jisrool, die de doden mee in het keiwer krijgen, als kussentje onder hun hoofd, dat de ring er niet thuisbehoort. Jaap Halberstadt geeft geen antwoord, hij zegt ook ditmaal niets meer in zichzelf, hij heeft zelfs de hand met de ring onder de tafel op zijn knie getrokken. Hoe jammer, hoe jammer, o, hoe bitter jammer is dat allemaal. Nu hebben ze dezelfde gezichten als in de
113