dus onder de grond... zat honderd jaren... honderd jaren... honderd jaren... maar het zweet breekt je uit! Vluchten, vluchten... naar wat Jaap nu vertelt. O, geluk, er valt dadelijk te lachen... om het malle, en toch is het zo: dat eenmaal Grootvader gebakerd is! Gebakerd! Grootvader! En tante Heintje en tante Roos en oom Aron en oom Daaf... en allemaal door de moeder van Jaap Halberstadt, die uit bakeren ging, wanneer ze tijd had, en enkel bij kennissen, want meer om de gezelligheid dan om de verdienste. Zo dan ook eens bij de vrouw van Klaas Baas, en dat juist in een tijd, dat ze pas weer flink last had gehad van reumatiek, in rug en benen. Die Kaatje Baas nu, of Kaatje van de wagenmaker, zoals ze haar noemden, was een hele hartelijke vrouw... Of was ze dat niet, Heintje? Ze was het, en ook een flinke vrouw. Zo een magere, taaie sliert, die haar leven lang niet met haar rug tegen de leuning van haar stoel heeft gezeten, en voor haar trouwen nooit anders dan op een taboeret! Ja, ja, zo bestonden die ouderwetse mensen. En er waren wel een stuk of zeven jongens, en jouw moeder, Jaap, heeft er daar drie van gebakerd. Precies, dat klopt allemaal... en Lammert Leeuwrik, de oude kromme doodgraver, dat was haar moeders neef... dat ligt er nu zelf ook al jaren en jaren onder... en daardoor zijn ze aan zo'n extra-beste ring gekomen-hij heeft zelf de schroef in het knekelhuis voor ze uitgezocht. Want hoe langer ze in de grond hebben gezeten, hoe beter ze zijn, hoe krachtiger ze werken tegen reumatiek.