En zo lag hij dan nu, Jaap Halberstadt, tijdenlang wakker in bed, en dat niggentje deed maar niets dan hem plagen. Was het niet al zo laat in de avond geweest, hij was opgestaan en had zich aangekleed en was naar de Rebbe gegaan van de kille dichtbij, waar ze ook sjoel-gingen, om het hem te vragen. Die zou het toch zeker wel weten thuis te brengen, dat zou toch al te gek zijn! Maar het was al bijna elf uur! De volgende morgen kon hij natuurlijk dadelijk gaan, maar wie stond er hem voor in dat hij zich na een hele nacht slapen het niggentje nog herinneren zou? Dat was toch juist goed, dan was hij er toch vanaf! Neen, tante Roos, hij wou het nu weten! Hij wilde die niggen vasthouden en de volgende morgen van de Rebbe te weten komen, wat voor niggen het was. Maar hou nu eens een niggen vast. Ja, inderdaad, hou eens een niggen vast! Waarin, waaraan, waarmee houd je een niggen vast? Een woord schrijf je op als je bang bent dat het je weer ontglippen zal. Zo lag Jaap Halberstadt in zijn bed en zocht en vond het middel! Hij bond het niggentje vast aan het tikken van de klok. En toen het daar nu goed en stevig aan vastgebonden zat, is hij gaan slapen. Maar elke keer als hij wakker werd, dacht hij: wat is er? Het niggentje! Heb ik het nog, ken ik het nog? Wacht... naar de klok geluisterd. Hoe tikt de klok? Tik... tik... tik... Zit daar mijn niggentje in? Even gewacht en scherp geluisterd... en het tikken van de klok veranderde in het niggentje... en hij had het weer. Dat ging tot de morgen door, en ook de morgen ging het door,
105