uit een andere kille luisterde hij de niggens van die kille af!
Maar deze heeft hij nooit gehoord... omdat het ook geen Hollandse niggen is, maar een Duitse, een Ber-lijnse, mijnheer De Beer heeft vroeger in Berlijn gewoond.
En dat brengt Jaap Halberstadt weer op een verhaal. Eens, jaren en jaren geleden, hij was toen een opgeschoten jongen, maar nog bij zijn ouders thuis, lag hij in bed en kon de slaap niet te pakken krijgen, en om de tijd te verdrijven, lag hij allerlei niggentjes te neuriën, dat deed hij wel meer. Hij zong 'Ngoleinoe' en 'Mongousor' en 'Mangariew' en alles... toen ineens zong hij iets... en wist zelf niet wat het was"! En eerst dacht hij... het moest iets van Kol-Nidrei zijn... en toen bezon hij zich, dat het wel Moessaf van Pesach kon wezen... en eindelijk meende hij het zeker te weten: een ouderwetse Sjier-Hama-aloth!! Maar toch niet... en hij kon er maar niet achter komen, wat dat voor een nig-gentje was... en hoe vaker achter elkaar of hij het zong, hoe minder hij er de kans toe zag... Ja, dat is zo, dat is zo... daar hèeft Jaap Halberstadt groot gelijk in, dat is precies als met woorden, hoe vaker je ze zegt, hoe minder gaan ze beduiden. Zeg eens onverwachts lepel - je ziet duidelijk een lepel voor je ogen... maar zeg het nu nog eens, en nog eens, een paar maal achtereen, je ziet niets meer... het betekent niets meer... het klinkt je zo mal en zo akelig in de oren, dat je maar gaat lachen om niet griezelig te worden...
104