koh voor, dat het hun eigene is en dat de anderen
bij hen op visite zijn...
'En zouden ze nu niet willen komen?'
Hoe jammer zou dat zijn, want hoe graag wil zij ze
zien!
'Ze komen wel!'
En Grootvader gist het goed, want daar heb je ze al, met tante Heintje terug, het kleine magere heertje en het kleine magere dametje, die eenmaal eigen 'ezrik en loelof' hadden en nu op een heel nauw bovenhuisje wonen. Heel netjes en zelfs deftig zien ze er nóg uit! Een taartje willen ze niet, bepaald niet, volstrekt niet willen ze een taartje, hadden ze geweten, ze waren zelfs niet gekomen, maar wat Grootvader wil, moet immers toch gebeuren... en kijk, nauwelijks ligt het op hun bordje of ze hebben het ook op. Mijnheer De Beer spiedt met gespitste lippen heimelijk de Sokkoh rond —, hij zal nu wel aan zijn eigen oude Sokkoh denken en in zijn hart mogelijk wensen dat er aan Grootvaders Sokkoh iets niet mooi of niet in de haak mag zijn. Maar Grootvader voelt zich daar stellig heel gerust op, of hij keek wel mee je voelt immers dat Grootvader het heel goed merkt, en mijnheer De Beer voelt het ook, hij kijkt voor zich uit en neuriet een 'niggentje'. Nu houdt Jaap Halberstadt dadelijk zijn mond, hij maakte grappen met tante Heintje, en keert schuin zijn hoofd naar mijnheer De Beer, en luistert wat dat voor 'niggentje' kan zijn. Als jongen kende hij elke niggen uit zijn hoofd. Daar was hij voor beroemd. Elke gazzan zong hij na, elke gast
103