eenmaal zo wezen moest, altijd zo was, en niet veranderen kan.
En terwijl ze nu allemaal hun tweede taartje eten kijkt ze van Grootvaders gezicht met de dikke, witte baard naar dat van Jaap Halberstadt, helemaal glad om een vriendelijke, ingevallen mond. Die zijn nu al zestig jaar kameraden... maar wat 'zestig jaar' beduidt, daarin kun je je toch niet denken. Stommelen in de donkere achterkamer, waar de deuren nu half gesloten zijn. Visite! Ja, maar die blijkbaar niet voor Grootvaders verjaardag komen, die zelfs weer weg willen gaan, nu ze de taartjes op tafel zagen. Ze doken even uit het donker voor de dag, twee oude mensen, een klein mager heertje en een klein mager dametje en trokken zich dadelijk terug, maar tante Heintje is opgestaan en ze achterna gegaan, naar binnen toe. Wie zijn het, Grootvader, en waarom doen ze zo raar? Het is mijnheer De Beer met zijn vrouw en ze komen niet voor de verjaardag, ze komen enkel om een poosje in de Sokkoh te zitten. Jaren geleden waren zij rijk en woonden in een huis met een tuin en elk jaar werd daar de prachtige Sokkoh gebouwd, waar iedereen welkom was, eigen 'ezrik' en 'loelof' bezaten ze natuurlijk ook, nu is er niets meer van hun rijkdom over, ze leven zuinig op een heel klein bovenhuisje. Om toch de mitswo te doen van het Sokkoh-zitten, komen ze nu bij iedereen, die ze maar iets verder dan enkel van aanzien kennen, tijdens de Sokkoth een visite maken!
Ja... en stellen zich dan misschien stilletjes in elke Sok-102