waren, of als knollen, waar je niet eens 'Borei perie ho-ngeits' voor kan zeggen, omdat je hét eigenlijk geen peren mocht noemen. En die vrouwen hoefden dat niet te weten, want die wou hij de peren wel verkopen, omdat het toch maar een paar van die gierige, zure boerinnen waren. 'Groot gelijk,' vindt tante Roos. 'Groot ongelijk, groot onrecht,' zegt Grootvader, met een strengheid in zijn stem, die tante Roos een kleur doet krijgen. 'En dat heb ik hem gezegd ook, precies als hij tegen mij in het Losjoun Hakoedesj!' En tot Jaap Halberstadt herhaalt Grootvader langzaam, duidelijk, met een nadruk op elk woord, het voorschrift uit de Tora, waaraan hij manke Meyer Fles herinnerde, om hem op het verkeerde van zijn gedrag te wijzen! Maar Jaap is het eigenlijk eens met tante Roos, dat zie je aan zijn gezicht, al durft hij niets zeggen.
Tante Heintje heeft gelijk. Jaap Halberstadt is voor Grootvader een beetje bang, zoals trouwens bijna alle mensen. Toch zijn ze dikke vrienden —, dat zou na zestig jaar niet meer uit kunnen raken. En als je hoort van wat Grootvader allemaal durfde zeggen en doen, en van wat Grootvader al niet kon en wist, dan hoor je ook altijd hoe Jaap de meestér en de Rebbe voor de gek placht te houden. Nu nog mag hij graag andere mensen in het ootje némen, nu nog is hij vrolijk, niet omdat hij altijd gelukkig was of geen zorgen kende, want die had hij genoeg, zijn leven lang, en moest van zijn zeven kinderen drie verliezen, maar omdat hij nu
IOI