de tantes geen van beiden begrepen. Grootvader weet ook iets te vertellen, het is hem pas deze verleden erew-Jomtof overkomen, en het bewijst dat manke Meyer Fles wel aardig uit de hoek kan komen, maar toch een deugniet is. Hij staat met zijn kar om de hoek bij Sjoel en Grootvader koopt daar soms zelf zijn fruit. En deze erew-Jomtof had bij dikke peren, op het oog heel mooi en niet duur en waar Grootvader dan ook wel zin in had. Omdat er aan het zeuren en dingen van die vrouwen geen einde kwam, wilde Grootvader de peren vast uitzoeken en meenemen, het geld komt natuurlijk van een klant als Grootvader terecht, en Grootvader had er de hand al naar uitgestoken.
Zegt Meyer Fles ineens, zo met een knipoog en langs zijn neus weg, 'Borei perie hö-adomo.' Dat doelde op de peren. De twee vrouwen hoorden niets —, ze zouden het trouwens niet hebben begrepen, het waren geen Joodse vrouwen, het waren van die gierige, zure boerinnen... ze kent dat soort wel, die 'Jood' zeggen tegen de kooplui, in hun gezicht, ook bij hen in het stadje op de markt. 'Begrijp je? Borei perie hö-adomo.' Ja... dat is de brooge voor aardvmchten, dat zeg je dus als je aardappelen eet... maar wat bedoelde die Meyer Fles daar dan mee... ?
Neen, Grootvader, zeg niets, zeg niets... stil, Jaap Halberstadt, houd je mond maar, want ik weet het alIs het niet zo Grootvader? Hij wilde u op die manier waarschuwen, dat die peren zo hard als aardappelen
i oo