kertje, Saar en ziek-bleke, manke Lé naar bed te helpen. Joop, die altijd hielp en ploeterde in 't huishouden, nam vlug de tafel af, bracht bordjes en kopjes naar een klein achterschuurtje, dat voor keuken diende.
'Mag ik er nog wat uit, vader?' verlangend vroeg Bram, hunkerogend naar buiten, waar 't koeler scheen dan in het kleine kamertje achter de winkel. Uit de achterdeur ging 't uitzicht over bouwlanden, groen-grijs van winterrog, waarachter de hemel, nog een ietsje kleurig, rustig bekwam na zonnedag.
Maar hij mocht niet. Vader was niet boos of driftig meer, doch hij wilde Bram toch graag nü in huis houden. In de dorpsstraat waren ze nog altijd bezig met de takken, doch 't vrolijke spel was ontaard in woest en bandeloos getier, waar ook de groten aan deelnamen. Liet •hij Bram in die herrie, dan kwam er weer vechten en relletjes van. En droevig erom, want wetende dat ze 't zo vrolijk niet hadden, met allemaal in 't ene kamertje, verbood hij 't tóch. Hij zou dan wat lezen voor ze, als moeder de lamp had aangestoken. Zonder mokken, al spijt hebbend van z'n vragen om kaas daarstraks, onderwierp Bram zich. Van 't rekje nam de vader een oud boek. En hij las van de Uittocht uit Egypte. Z'n stem beefde bij 't lezen en veel fantaseerde en vertelde hij erom heen, de ogen ver, de baardharen bibberend in 't ontroeren van z'n mond. Stil zaten de moeder en de jongens, luisterend. De dromige woorden doorklankten de rustige intimiteit van het kamertje, en het luide getier van lollige jongens en luidruchtige meiden in de verte bij de bomen nam af. Doodstil luisterend waren ze naar 't veel-gehoorde verhaal en vaders fantaseren daaromheen.
Maar toen hij nabetrachten ging en sprak van de hoge bestemming der Joden en hun uitverkoren-zijn, zeggend dat ze daarvoor veel moesten verdragen, en zo terugkomend op de vechtpartij van daarstraks, begon Bram onrustig op z'n stoel heen en weer te schuiven, en, mond-vertrekkend, mompelde hij, ingehouden recalcitrant... 'nou ja... nou jè...'
Joop keek, strak-minachtend, vóór zich...
140