II
De vóóravond van Nieuwjaar, ditmaal vallend laat-september, bracht blijheid in huis.
Al gaat het materieel beloop der dingen nog zo weinig naar wens, al steekt het hoofd ook vol zorg en zaken-gepeins, de hoge dagen der Joodse feesten zijn en blijven aan de vreugde gewijd. Zó was 't ook nu...
Zon was, in betrokken lucht, al haast ondergegaan. Fijne damp kwam zwevend hangen over de landen, waarop de deur van 't kamertje achter de winkel gaf. Stug verborgen achter de duistere massa van de bomen errondom lagen de enkele boerenhuizen. Vaag in de mist was 't broze silhouet van een mosterdmolentje en hier en daar in de verte glimmerde nog in bleek licht een plas, van pluimig riet bewuifd...
Zó zag Joop het, terwijl hij armgekruist stond in de deur en rondom heen naar buiten uitstaarde. Maar z'n moeder, met haar weke stem en zacht gebaar, kwam achter hem en zei, vlei-vragend:
'Kom je in huis nou, Joop, en doe je de deur dicht? 't Is zo kil buiten. Zó gaat Jomtof in. Ik steek de lamp op en je vader komt daar dadelijk. Laten we vanavond sim-ge hebben en niet prakkezeren...'
Joop keerde zich om en sloot de deur. De kilte van buiten was nu afgesneden en de damplanden met de rietpiassen en het traag-treurig wiekende molentje schenen weg en tot een vreemde wereld te behoren.
Want de helder-brandende lamp, die moeder ontstak, liet de innige feestvreugde zien op haar gezicht, zo opgeklaard en uit de zorgplooien, als 'n Joods moedertje dat hebben kan op een feestavond. Zó, met kleine blijd-schapsuitingen, maar heel intiem, even voelbaar in een enkel handgebaar, met verhelderde ogen, nam ze uit de kast en uit-spreidde het over tafel, het schitter-witte tafelkleed, dat als bij tover van het ruw-bruine, geschilferde blad een blinkende feestdis maakte. En dezelfde blijheid-naar-binnen, als van 'n spinnende poes, was in het zorg-vuldig-zacht neerzetten van borden, het schikken der vorken op 't witte kleed. Haar gezicht, alsof 't zó aan 't neuriën zou gaan van ingehouden jubel, te innig om uit te
141