dat betekent, dat we vannacht allemaal veilig zijn... Wis-je dat?' vroeg-ie, weer éven pedant, er achter.
'Ja... nou, maar wat...?'
'Dan ben 'k zo bang...'
'Waarvoor?' vroeg ze met grote ogen... "t Is toch en-keld de straat.'
'Ik denk altijd,' fluisterde 't jongetje, met trillend stemmetje... 'ik denk altijd an de Doodsengel uit 't seider-boekie. As dié nou-eris buite liep ...'
'Néé... néé,' weerde 't zusje af... 'dat gebeurt om-mers niet meer... wij hebbe niks gedaan... dat was in Egypte.
'Ik ben toch bang... En-ie smeerde blóed op de deuren...' somberde z'n stem en de ogen st aarden, als zagen ze de dingen voor zich uit de kamer in, waar de zoet-kanelige geur rondzweefde...
'Geen mensenbloed... enkel van een lam,' bestreed 't meisje, zich verwerend tegen eigen angst... 'en zij krege de tien plage... en wij ginge lekkertjes weg.'
'Wéét jij de tien plagen?' vroeg 't broertje, ineens weer in z'n aplomb van knap broertje tegen dommer zusje...
'Allemaal achter mekaar?' vroeg ze timide.
'Ja,' eiste hij, stevig.
't Kind begon, dociel 'dom-bloed, séfardeïang-kik-vorsen... Wat zijn dat?'
'Kikkers,' wijsde 't jongetje, 'gróte kikkers,' fantaseerde hij erbij... 'En weet-je... 't wsiter in de Nijl zag róód van bloed...'
'Nee, nee,' weerstreefde ze... 'nèt as bloed...' Dan, in enen erachter...:
'Dolf... ik heb gomets gegete.'
'O,' ontstelde hij... 'wat?'
'Een koekie van de melkboer... ik had-et al hallef op... toen dacht ik er pas an... dat 't; niet mócht...'
'Hê-je 't uitgespuugd?' inkwisiteerde 't broertje...
'Néé,' bekende ze benauwd, 'doorgeslikt.'
'... O,' herhaalde hij, ontsteld.
'Als hij nou komt... moet 'k dan...? Hê-jij niks gedaan?'
'Laast-sjabbes een cent versnoept,' biechtte hij nu ook, snel-fluisterend... 'met Moosie,... maar hij droeg 'm.'
116