had... schreeuwden ze 'niks, lekker niks.'
'Möt-je dat nou zegge,' bestrafte Pietje, 'is juffrouw van Leeuwe soms geen bést mens...?'
'Geld genogt,' coupeerde ma... 'mot ze maar 'n kusse kope...'
't Loten ging voort. Na de afwezige kennissen... juffrouw Dietz, vrouw Schepel... Heintje de Vries van 't Ossepad... die allemaal 'n nietje kregen, kwam er meer animo.
Ieder mocht nu voor zich zelf 'n papiertje trekken, 't Rood-zwarte-rugkussen met gloei-rode kwastjes in de hoeken, verleidelijkte kleurig op Mietjes stemmig schor-teschoot... In de hitte van lamp en potkacheltje werd de stemming opgewonden-prikkelbaar, ruzietjes fel sloegen even op, zakten weer...
Ma trok eerst, groot-doend grijpend met onverschillig mondgetrek... vouwde open... niks... 'döch-wel-'oor ...' Woede-koelend tegen Hendriek, die vijandig grijnsde van 'rtaboeretje af... 'möt-je lache... Jodekind...?'
't Werd Pietje hoe langer hoe benauwder. Won ze in-gosnaam maar niet... ze most 't Racheltje dan geven... 't was de stumper al zo lang beloofd:... 'as de juffrouw wint... nou hè... maar niks zegge...'
In steeds stijgend rumoer, om hèt briefje, dat koppig achterbleef in 't kluwebakje, plagerig, werd 't Pietjes beurt... Ogen dicht... met gelaten trekken, als iemand, die z'n lot een hogere voorzienigheid in handen geeft, strekte Piet de arm uit... greep... zonder zien... vouwde open... duizelde... och hemeltje, daar had-je 't... daar stond 't... 't fatale woord... 'ruggekusse'.
'Nou mens,' snaterde ma, 't 'jèfrouw' in de opwinding vergetend, tegen beduusd Pietje... 'sèg dan wat, hê-je 't nou of hê-je 't niet?'
Dikke Neel-van-de-bakker loerde over Pietjes schouder... zag 't woord... loom-verbaasde... 'nou, sèg, da's óók wat... de juffrouw hèt 't...'
In 't stom-openmonds mekaar aanstaren, begon Pietje wantrouwen te voelen; ze begreep, dat ze van vals-doen verdacht ging worden.
En haastig uitflapte ze, 't gewoonlijk grauw-bleke snoetje nu hittig-rood:
104