waar hij faalde, was dat een kwestie van inzicht, van weten, van kunnen, doch nooit van geestelijke lafheid of van een of ander bederf in de persoonlijkheid.
Wat Du Perron zei tegen Soewarshi Djojopoespito („Kritiek en Opbouw”, 16 Aug. 1940 blz. 193): „Denk niet dat het leven iets met carrière heeft uit te staan. Je gevoel van eigenwaarde is meer waard”, dat was ook de diepste overtuiging van Ter Braak. Hij zou er ongetwijfeld direct aan toegevoegd hebben, dat men ook een sterk gevoel van eigenwaarde kan aantreffen bij een ingebeelde gek. Maar wat zij onder gevoel van eigenwaarde verstonden, Du Perron en zijn vrienden, dat was het gevoel van een mens wiens karakter en intelligentie gaaf waren, een mens die wel zichzelf cultiveerde, doch niet angstvallig zoals de zwakkeling dat moet doen, maar zonder vrees voor de aanraking met anderen, vrienden en tegenstanders. Het gevoel van een mens die om doordrongen te zijn van zijn eigenwaarde, een omgeving nodig heeft van rechtop gaande mensen, een vrije maatschappij, een wereld waarin de mensen niet slaven van de strijd om het bestaan zijn, noch politiek rechtelozen, noch gevangenen van hun onwetendheden, angsten en ressentimenten.
Waar dit alles niet is, waar men vrij is van al die druk, al die angst en al die haat en verbittering, daar eerst is ruimte, is groeikans, voor de menselijke waardigheid. En dit begrip van menselijke waardigheid heeft dus, met zoveel andere begrippen van Ter Braak, dit gemeen, dat het een „open” begrip is, niet afgesloten en voor goed vastgesteld, doch in wording en veranderend.
De dingen open houden, zorgen dat ze niet verstarren, dat het leven niet wordt vastgelegd in „handwoorden” waarmee men elkaar om de oren slaat en waarvan men kerkermuren bouwt; dat men geen „conclusies” fabriceert, doch op z’n hoogst voorlopige vaststellingen doet, wier voorlopigheid men dan ook uitspreekt, dat was voor Ter Braak een erezaak, want wie anders handelde wilde weer een geestelijke tyrannie uitoefenen. En tyrannie, materiële en geestelijke, was voor hem de eeuwige vijand. De eeuwige, omdat hij altijd bleef dreigen. Want In een heilstaat, waarin de menselijke waardigheid voorgoed verzekerd zou zijn, geloofde Ter Braak natuurlijk niet.
Wat hij dus had aan te bieden in de plaats van de Christelijke liefde, het erbarmen en de gelijkheid, dat was de waardigheid waartoe men alleen kan geraken als men bereid is alle illusies op te geven, voortdurend te blijven strijden, en om met Nietzsche te spreken, zijn paradijs alleen te vinden in de schaduw van zijn zwaard.
292