een nieuwe levenskunst kunnen vinden, die aanvankelijk, evenals de Christelijke levenskunst van voorheen, slechts het eigendom van weinigen zal zijn, maar die op den duur, zoals dat bij maatschappelijke processen nu eenmaal gaat, door de gehele maatschappij zou worden aanvaard.
Voor Ter Braak was het duidelijk dat de oplossing alleen in de richting van een nieuwe levenskunst kon liggen. En ofschoon hij geen geboren levenskunstenaar was, zoals Du Perron, heeft hij de grote verdienste, de nadruk te hebben gelegd op een aantal essentiële elementen van die levenskunst.
Voortdurende waakzaamheid was één van die elementen. Inplaats van de rust en de vrede van het geloof, wachtte ons een schier onafgebroken spanning, omdat iedere waarheid die men aanvaard had, slechts een waarheid was voor een bepaalde positie en een beperkte tijd. Men moest in het besef van de betrekkelijkheid van alle waarheden, opportunist zijn, men moest, zoals hijzelf het formuleerde — daarmee natuurlijk weer menig verontwaardigd protest oproepend — kunnen „schipperen”, d.w.z. kunnen varen en sturen.
Die protesten kwamen dan gewoonlijk van mensen die een vast geloof hadden, of dat nu het Roomse, het Calvinistische, het Atheïstische, Socialistische, of een ander was; die zichzelven als rotsen en hèm als drijfzand beschouwden; en de oproep tot opportunisme, als een oproep tot geknoei interpreteerden.
Maar terwijl de practijk van het leven bewijst, dat principiële afwijzing van het opportunisme wel degelijk kan samengaan met knoeierij, sloot het principieel opportunisme van Ter Braak iedere knoeierij uit. Men heeft hem veel, heel veel verweten in de loop der jaren, zijn verstandelijkheid, zijn harteloosheid, die daaruit zou voortkomen, zijn gebrek aan eerbied en zijn gebrek aan ernst, en wat al niet; maar niemand heeft ooit de moed gehad hem van geknoei te beschuldigen.
Ieder wist dat hij zich iedere denkbare inspanning getroostte om de dingen juist te zien, en dat hij dan, zonder rekening te houden met boosheden of vriendelijkheden, zonder rang of stand of fortuin te ontzien, en zonder bevreesd te zijn voor wat er met hemzelf zou gebeuren, uitsprak wat hij zag. Wat hij zei, diende zich niet aan als „waarheid”, maar als gezichtspunt. Doch het waarheidsgehalte van dergelijke „gezichtspunten” is meestal groter dan dat van wat zich als eeuwige waarheid aandient.
Hij was niet onfeilbaar, en hij wenste allerminst daarvoor door te gaan, want bij het aanvechten van het geloof in iedere autoriteit, nam hij bij voorbaat reeds zijn eigen epigonen in de maling; maar
291