en men verkondigde dat iemand die zo aan alles scheen te twijfelen, de kracht miste die redding kon brengen, de kracht van het geloof namelijk ... alsof er nooit en nimmer gesproken en geschreven was over „de smalle weg”, en alsof niet het oude geloof en de nieuwe levenskunst (en wat Ter Braak in wezen gaf, dat was levenskunst), dit althans gemeen hadden, dat ze alle twee nu juist niet zo bijster gemakkelijk en gezellig waren.
Wat Ter Braak In „Van oude en nieuwe christenen” betoogde dat was juist, dat het Christendom, In zijn oude geloofs- en zijn nieuwe gelijkheidsstreven, niet bruikbaar was als grondslag voor een samenleving van mensen, die het fanatisme en de eenvormigheid, de totalitaire discipline en de totalitaire bezieling afwezen.
Maar de Westerse beschaving, zal men zeggen, is zozeer een Christelijke beschaving, dat men het Christendom als geestesgesteldheid (over kerkorganisatie spreken we hier niet) onmogelijk kan afwijzen zonder ook de Westerse beschaving af te wijzen.
En Ter Braak was ongetwijfeld dóór en dóór een Westerling, in cultureel opzicht. Met Westerse verwatenheid, met zelfverheffing, of met verachting van andere beschavingen of volken, had dit natuurlijk niets te maken. Integendeel hij erkende volkomen zowel de mogelijkheid als het recht van het anders-zijn, maar wat hem volkomen vreemd was, dat was dat gebedel van zoveel ontredderde Westerlingen, om wat Oosterse cultuurflarden. En ik vermoed dat men hem juist daarom ook in andere cultuurkringen volkomen zou kunnen waarderen, als een zuivere en oprechte manifestatie van de Westerse geest, die overal de moeite waard Is; terwijl men de culturele cameleons en weekdieren tenslotte overal zal verachten.
Ter Braak kon en wilde de Westerse cultuur niet loslaten en daarom nam de worsteling met het Christendom zo’n grote, naar het gevoel van. velen overmatig grote, plaats in zijn werk in. Een voortdurende strijd om zich te bevrijden van zijn vrijzinnig-pro-testantse opvoeding, beweerde de een; het calvinisme dat in iedere Hollander aanwezig is, en dat hier de vorm aanneemt van een onafgebroken onderzoek naar het waarheidsgehalte van de eigen levenshouding en die van de andere mensen, ontdekte de ander.
Dit was allemaal juist, maar het was alleen maar kenmerkend voor zekere eigenaardigheden, voor de Hollandse wijze waarop hier een Westers vraagstuk behandeld werd. Het vraagstuk zelf bleef: of we het geloof, dat aan de oorsprong van onze cultuur heeft gestaan, maar dat door de groei van onze bewustheid zijn natuurlijke werking en stuwkracht heeft verloren, moeten vervangen door één van de nieuwe totalitaire geloven, waarin alleen de negatieve kanten van het oude geloof tot uitdrukking komen, dan wel of we
290