aangaf) de inhoud van de menselijke idealen onophoudelijk verandert, naarmate de maatschappij verandert, dan zal men nog beter beseffen waarom Marx niets voelde voor de mooie woorden waarmee de socialisten van zijn tijd kwistig rondstrooiden: Rechtvaardigheid, Menselijkheid, Vrijheid, Liefde, etc.
Marx wilde een socialisme zonder geklets over moraal, een zakc-lijk socialisme.
Maar reeds het feit dat hij een socialisme wilde, inplaats van b.v. te streven naar een professors- of ministersbaantje, bewees dat aan zijn streven een bepaalde morele kracht ten grondslag lag, dat hij tóch een „idealist” was.
Als men dit woord niet wil gebruiken, dan moet men toch in ieder geval zeggen: van socialisme kan geen sprake zijn als men zich niet van te voren het socialisme als doel stelt.
Het is juist dat de mensen door hun belangen gedreven worden en dat ze zoveel mogelijk lust of macht of vrijheid zoeken. Maar aan die vaststelling hebben wc in ’t geheel niets want dat streven naar het eigen belang komt in de practijk neer op het streven naar datgene, wat men als z’n belang ziet en dat behoeft in ’t geheel niet het socialisme te zijn, doch het kan alle schakeringen omvatten die er tussen zelfmoord en het lid worden van een fascistische organisatie, het speculeren aan de beurs en het werken voor het socialisme bestaan.
Dat de belangen der arbeiders die arbeiders noodzakelijk naar het socialisme brengen (of sterker gezegd nog „drijven”) is alleen „bewezen” als men die arbeiders als een homogene massa, als een blok dat als één geheel moet handelen, ziet.
Het is het onwetenschappelijke in het door Marx van de liberale bourgeoisie overgenomen „klasse”-bcgrip, dat het een eenheid suggereert die in werkelijkheid niet aanwezig is1).
Men kan de mensen verdelen naar hun positie in het productieproces en een dcrgclijkc verdeling in „klassen” heeft z’n nut, zoals het ook z’n nut heeft de mensen te verdelen in blauw-ogige of lang-schedelige of primair-functioncrendc of introverse, Roomse of
■*) Ofschoon dc klasscn-thcoric een van de hoofdpunten in de Marxistische wereldbeschouwing is, ontbreekt bij Marx iedere uitvoerige en speciale studie over ,,de klassen", ook over de arbeidersklasse. Enige terloopse opmerkingen in „Het Kapitaal" en in andere geschriften maken ons duidelijk, dat Marx heel goed zag dat dc klassen niet de enige bindingen waren en ook dat zij allesbehalve een eenheid waren, maar dat neemt niet weg, dat Marx, zodra hij de algemene maatschappelijke ontwikkeling aangeeft, (dus op de beslissende plaats in zijn systeem) de klassen als eenheden neemt.
277