groei, belang tegenover belang en geen engelachtigheid, geen bovenmenselijke nobelheden, geen bijna niet te vatten wijsheid, doch de eigenschappen van de gemiddelde mens zijn de drijfkrachten, die steeds versterkt door de wereld-ontwikkeling, de socialistische macht tenslotte doen overwinnen.
Het valt niet te ontkennen dat dit socialisme van Marx vèèl minder utopisch en dus veel meer wetenschappelijk is dan dat van z’n voorgangers.
Socialisme'als wetenschap; dat kan alleen tot inhoud hebben hoe men met mensenmateriaal dat overwegend slecht en zondig is, de belemmeringen opruimt en de nieuwe orde bouwt.
En als men bezwaren heeft tegen het marxisme, als men andere opvattingen naar voren wil brengen, dan moet men bij voorbaat wantrouwend staan tegen alles wat niet in de realistische richting gaat waarin ook Marx ging. Marx zag dat de strijd om het socialisme hard en wreed zou zijn, hij zag dat het een gevecht zou zijn van egoïsten tegen egoïsten, hij zag dat alleen de meerdere kracht het winnen zou, hij zag dat het materiaal dat aan de kant van het socialisme stond, niet beter was dan het materiaal aan de andere kant, hij zag dus de situatie zó, dat men hem van bijna alle kanten pessimisme en gebrek aan idealisme (idealisme in de betekenis van ophemelen der eigen krachten) verweet.
Welnu, de fout van Marx was dat hij niet realistisch, niet pessimistisch, niet hard genoeg was ten opzichte van eigen kansen en eigen aanhang. Hij heeft de tegenstand en de tegenstander onderschat, hij heeft de eigen kans veel te fraai gezien.
Alleen in die richting kan een werkelijke Marx-critiek zich bewegen en alleen zo kan men komen tot de ontdekking van de fouten die het marxisme als wetenschap heeft.
Gaat men in een andere richting dan zal men alleen maar een socialisme krijgen, met nog minder scherpzinnigheid en nog minder hardheid dan het marxistisch socialisme. En met minder dan het marxisme kunnen wij helemaal niet toe.
In welke opzichten vertoont het marxisme een tekort aan realisme? Allereerst hierin, dat het zichzelf niet durfde te zien als wat het in werkelijkheid was: een hard, actief idealisme. De gewone „idealist” is zo’n domme en weerzinwekkende slungel, hij durft de werkelijkheid zo weinig aan en hij verkoopt zulke flauwe praatjes en bedriegt zichzelf en anderen zo voortdurend, dat de afkeer van de „idealist” die Marx aan de dag legde heel best te begrijpen is. Als men daar aan toevoegt dat, (zoals Marx, als eerste, duidelijk
276