tekende de bevrediging van alle lichamelijke genietingen en de gemakkelijke toegang tot vele geestelijke vreugden (voor zover een dergelijk onderscheid zin heeft) .
En Marx zag de mens in het algemeen als een zó zelfzuchtig wezen dat hij geen ogenblik geloofde, dat de bezitters vrijwillig afstand zouden doen van het genot dat het bezit verschafte.
Marx zelf was anders. Hij was in staat honger te lijden voor wat hij als recht en waarheid zag. Maar hij was zelfingenomen en dus verstandig genoeg om te weten dat hij zelf tot de uitzonderingen behoorde en dat de mens in het algemeen een leugenachtige schurk is — al heeft die mens meestal te weinig zelfkennis om hiervan doordrongen te zijn.
Als zo’n mens een kasteel heeft en landgoederen wier opbrengst hem in staat stellen er goed van te leven, dan zal hij zich met alle middelen verzetten tegen alles wat verandering in die toestand zal kunnen brengen. Alleen hij zal noch voor anderen, noch voor zichzelf willen doorgaan voor iemand, die ten koste van anderen een goed leven leidt en hij zal dus verkondigen dat hij de maatschappelijke en de goddelijke orde verdedigt, dat een verandering in die toestand het einde zou betekenen van de Godsdienst, het Koningschap, de tradities van Oud-Engeland, enz. enz. — terwijl het in werkelijkheid om de grondrente gaat (zie „18e Brumaire” blz. 34/35).
Al die kasteelbezitters, al de fabrikanten, al de handelaars en al degenen die belang hebben (of menen te hebben) bij het behoud van de bestaande toestanden vormden samen de heersende klassen, zij waren in het bezit van alle machtsmiddelen, zij hadden een machtinstrumcnt dat Staat genoemd werd en zij zouden tegenover Owcn c.s. het behoud der bestaande toestanden verdedigen, in eerste instantie met allerlei (bijna altijd oprecht gemeende) verhalen over Orde, Gezag, Gezin, Godsdienst, Beschaving, — en in laatste instantie met bajonetten en bommen.
Het was voor Marx duidelijk dat het socialisme alleen dan „wetenschappelijk” d.w.z. ernstig te nemen, werkelijk mogelijk, werd, als het over een grotere macht beschikte dan degenen die belang hadden bij het behoud van de bestaande toestanden. En om die macht te kunnen formeren moesten er dus tallozen zijn, die belang
beroepen (of achter verschuilen) dat Marx deze fundamentele kwestie nooit systematisch, uitvoerig, afzonderlijk behandeld heeft. Het hele marxisme wordt echter volkomen leeg en zinneloos als men de paar duidelijke uitspraken van Marx op dit punt, niet als zijn grondgedachte aanvaardt.
274