tot de gewone organisatorische en verkiezings-propagandistischc partijzaken behoren, als ze zou begrijpen dat een eigen blad en een eigen toon nodig zijn om intellectuelen te winnen, te behouden en aan het werk te zetten.
Zou ze dat niet begrijpen, dan zou de intellectuelen-beweging haar eigen weg moeten gaan, zij het dan ook steeds in de geest van bondgenootschap en bereidheid tot samengaan met de arbeidersbeweging.
Doch welke weg mogelijk of nodig zal zijn, dat is eerst te bepalen wanneer de intellectuelen die voelen dat er wat gedaan moet worden, die voelen dat er wat veranderd is, sedert het fascisme aan de poorten staat — neen, binnen de poorten is — wanneer die intellectuelen tonen te beseffen dat het nodig is verzamelen te blazen, zich te organiseren, tot machtsvorming over te gaan, tegenover het nationaal-socialismc het intcllectuelen-socialisme te plaatsen en de strijd om de heerschappij aan de orde te stellen.
Is men daartoe niet bereid of niet in staat, dan blijft men een onpolitieke groep die door ieder naar welgevallen gebruikt en bezoedeld kan worden. Dat zou dan volkomen verdiend zijn en we zouden er geen bezwaar tegen hebben voor zover het de dames en heren betreft, — maar aangezien tegelijkertijd dan toch ook het beste wat op deze aarde is tot stand gebracht zou ondergaan, moest er op gewezen worden dat deze goede dingen (en de intellectuelen) alleen gered kunnen worden als snel en vastberaden de weg der politiek betreden wordt.
De weg en het program zijn hier aangeduid. Voor een uitwerken van wat hier gesuggereerd wordt, is het ogenblik eerst dan gekomen als het blijkt dat er werkelijk groepen intellectuelen zijn, die bewijzen dat ze er genoeg van hebben zich als decoratie te laten gebruiken op de half-communistische, „anti-fascistischc” zwets-congressen, en dat ze voor zichzelf, voor hun eigen socialisme, voor hun eigen politiek, willen gaan werken.
1935-
271