nu een boerderij hebben, machine-tekenaar zijn, voor een klas staan, correspondent op een handclskantoor zijn, of in een winkel con-fectiepakjes verkopen. Het is bekend genoeg dat de typische intellectuelen van deze groepen, dat wil zeggen van de grote massa der middengroepen, niets moeten hebben. De ruwe arbeider, dat gaat nog, zolang hij niet brutaal wordt, maar de middengroepen (waartoe ze tenslotte zelf ook behoren, maar dat willen ze niet weten) vinden ze vulgair. En sommige exemplaren gaan zelfs zo ver dat ze niet alleen die geweldige massa der uitlopers van het intellectuelendom — want dat zijn de kantoorbedienden, de telefonisten, de handelsreizigers enz. enz. — met een hautain gebaar als „onbelangwekkend” afdocn (en aan Hitler overdoen, maar daar komen we nog op), maar ook in hun engere omgeving alles wat niet ultra-origineel en geniaal is — dat wil zeggen wat niet dezelfde stokpaardjes berijdt als de meneer die nu eens zal uitzockcn wat échte en onechte intellectuelen zijn — van de lijst der intellectuelen af-voeren en bij de „burgerlui” of de „schoolmeesters” of wat dan ook indclcn. Wat dan overblijft is echter alleen een rariteitenverzameling, of, als men eerbiediger wil zijn, een groep genieën, maar aangezien deze genieën gewoonlijk alleen converseren met andere genieën en elkaar over de hoofden der eeuwen heen toeknikken en overigens ook brandstapels en kerkers, als een soort taai ongerief op de koop toe plegen te nemen, is zo’n kransje van uitverkorenen alleen voor degenen die met eeuwigheidswaarde!! rekenen (dus God b.v.) van belang. Als machtsformatic voor nu en morgen, als toekomstige macht, over één jaar of tien jaar of een halve eeuw, als politieke factor dus, zijn ze van geen belang. De politicus vraagt ongetwijfeld: wie ben je. Maar onmiddellijk daarna: wie en wat breng je mee.
En de intellectuelen die niet beseffen dat hun machtspositie juist hierin ligt dat al die middengroepen, al die kleine, halve en would-be intellectuelen naar hen kijken en bereid zijn hen te volgen, de intellectuelen die niet beseffen dat zij die honderdduizenden kunnen winnen en moeten winnen, die met elkaar alle scharnieren en gewrichten en hefbomen van de maatschappij beheersen, die de levende organisatie van onze, op organisatie berustende, wereld zijn, die intellectuelen mogen dan over een of ander onvatbaar „instinct” beschikken, ze missen in ieder geval ieder politiek instinct. En ze kunnen met een hautain gebaar 99 c/<" van hun soortgenoten als „schoolmeesters” afschrijven en de honderduizenden als vatbaar voor „boerenbedrog” aan Hitler overdoen, ze tonen daarmee alleen maar niet te begrijpen dat hun eigen waarde slechts daarin zou kunnen bestaan dat zij de „schoolmeesters” en „boeren” rondom
267