proletariërs-massa, die, aangevoerd door overlopers uit het kamp der intellectuelen, de heerschappij begon op te eisen. De wijze waarop dit geschiedde — in het Communistisch Manifest (1848) en in andere invloedrijkere geschriften uit die periode — was steeds zó, dat de intellectuelen vereenzelvigd werden met hun meesters (industrie, handel en grondbezit) en dat zij op hun best de „gunst” mochten verwachten inplaats van de heerschappij der geldwolven en knuppeldragers, de heerschappij der losgebroken horden uit de fabrieken en werkplaatsen te mogen ondergaan. En als aan het slot van het Communistisch Manifest de heersende klassen uitgenodigd werden te „sidderen” voor de opstand der massa’s, dan moesten ook de intellectuelen meesidderen, of zich samen met hun meesters, die dan toch een zekere mate van beschaving en een zekere mate van waardering voor het intellect bezaten tegen (wat zij moesten zien als een brutale aanval op hun positie, een onduldbare gelijkmakerij en een beschamende overheersing door groepen die altijd hun dienaren geweest waren) de proletarische aanmatiging verzetten. Wat ze gedaan hebben en met succes.
Zeker, men kan achteraf gemakkelijk zeggen dat de Intellectuelen niet erg scherpzinnig waren als ze het „proletarische” geraas van Marx en andere overlopers naar de arbeiders zo ernstig namen, en dat ze hadden moeten inzien, dat een zegepraal der arbeiders in werkelijkheid zou betekenen een heerschappij der intellectuelen. Men kan nu heel scherpzinnig de politiek aangeven die de intellectuelen in 1848 en in de hele daaropvolgende periode hadden moeten voeren: overlopen naar de arbeiders, zich aan het hoofd ervan plaatsen (dat gebeurde vanzelf, zoals ook Marx en andere overlopers vanzelfsprekend, ondanks alle bombast over klassen en ondanks alle verheerlijking van het proletariaat, de meesters der arbeiders werden) en die massa’s gebruiken om de bezitters ten val te brengen en zelf de heerschappij in handen te nemen, die dan op den duur, bij voldoende intellectualisering van de massa, tot volksheerschappij moest worden.
Maar geschiedenis-filosofie die achteraf komt is wel niet nutteloos, maar toch geen politiek. En het is te begrijpen dat de intellectuelen van Marx’ tijd het gebrul der proletarische leeuwen ernstig namen en met ieder meegingen die over voldoende geweren beschikte om de bedreiging af te wenden. Intussen, het mag wel eens gezegd worden dat de intellectuelen niet alleen tegenover het socialisme kwamen te staan omdat ze lamlendig en kortzichtig waren — wat ongetwijfeld het geval was — maar ook omdat ze door de dreigementen uit het proletarische kamp naar de andere zijde gejaagd werden, ook al stond, zoals zou blijken, achter die dreige-
264