echter was de toestand in de maatschappij, zoals we die tot voor kort kenden.
Het intellect heeft als geheel genomen die toestand steeds aanvaard. De overgrote meerderheid der intellectuelen was er mee tevreden een beetje kruip-door-sluip-door te kunnen spelen, hier en daar het geld voor den gek te houden en een hak te kunnen zetten en tenslotte een baantje als knecht te krijgen: kost en inwoning en zo nu en dan een uitgaansdag.
Deze knechtenpositie en knechtenmentaliteit waren alleszins verklaarbaar. De intellectuelen zijn opgegroeid in de schaduw der machthebbers wier dienaren zij waren, aanvankelijk ternauwernood te onderscheiden van de staljongens en de hofnarren. Maar hun functies zijn in de loop der tijden steeds belangrijker geworden en zoals op een bepaald moment de kooplieden en de fabrikanten de koningen opzij zetten (en zo nodig onthoofdden), zo zou men mogen verwachten dat daarna de tot machthebbers geworden kooplieden door de intellectuelen opzij gezet werden. Immers meer en meer werden alle belangrijke functies door de intellectuelen in handen genomen en tenslotte waren zij het die overal, op alle belangrijke punten van de maatschappij het werk deden, maar. . . zoals de filiaal-houder voor den baas werkt, zonder werkelijke, belangrijke, beslissingen te mogen nemen.
In die positie van filiaal-houders zijn de intellectuelen gebleven, hoewel de uitbreiding en de toepassing van hun kennis er door belemmerd werden, hoewel hun onderscheidingsvermogen vaak groot genoeg was om te ontdekken dat de baas een ezel en een smeerlap was en hoewel hun verantwoordelijkheidsgevoel soms sterk genoeg was om te beseffen dat ze door hun positie gedwongen werden alles te bezoedelen en te vernielen wat met enige goede wil tot iets behoorlijks gemaakt zou kunnen worden.
Een eigen politiek die alleen hierin kon bestaan dat men proclameerde: „Wij zijn de leiders van de maatschappij, wij willen dus ook haar meesters zijn”, hebben de intellectuelen nimmer durven en kunnen formuleren.
Waarom niet? Omdat ze aanvankelijk te weinig intellectuelen en te veel enkel maar met kennis beladen knechten of wereldvreemde klerken waren, die met fabrikanten en kooplieden samen optrokken onder het vaandel van „vrijheid, gelijkheid en broederschap” en die zich door kooplieden en industriëlen lieten gebruiken.
Toen het besef hiervan begon door te breken — men vindt dat in de latere werken van Saint Simon en bij sommigen van zijn leerlingen en in het algemeen bij de radicalen van 1848 — was echter een nieuw gevaar aan het opkomen. Dat gevaar was de donkere
263