bedoelen) vóór alles carrière wil maken, lid van de soos wil worden en een sierlijke doch indrukwekkende auto wil bezitten, die kan Prof. Mr Dr zijn, gedichten hebben geschreven en essays vervaardigen naar aanleiding van de diepzinnigheden, die een Spaanse professor over de meningen die een Duits dichter inzake de Franse beschaving had, heeft opgedist, — hij blijft dan in wezen een ordinaire geldploert, en wee allen die op hem rekenen, als het om het lot van de intellectuelen zou gaan. Kort en goed, wie intellectuelen zijn, dat kan men eerst bemerken zodra verzamelen geblazen wordt, rondom een zeer bepaald vaandel. We gebruiken met opzet de militaire beeldspraak, immers alleen wie bereid is voor bepaalde dingen te vechten, telt mee. Fin dan nog alleen als hij werkelijk kan vechten.
Fiet „vaandel” is overigens een weliswaar versleten, maar ontzettend actuele beeldspraak, en ieder begrijpt wat er mee bedoeld wordt. In ons geval is het: dat wat de intellectuelen behoren te zijn en te doen, willen ze de grootst mogclijke invloed op de wereld uitoefenen, willen ze een wereld maken waarin ze werkelijk kunnen leven.
Want de eigenlijke kwestie, met wier speciale vorm voor onze tijd we ons nog nader moeten bezighouden, is natuurlijk: wie zal de wereld beheersen? Zullen de intellectuelen het doen, of de geldpoenen, of de ranseldragers en ransel-uitdelers, of de tot meesters geworden losgebroken slaven, of de vergeestelijkten zonder levensvreugd of wie dan ook?
En nu is het natuurlijk juist dat leder van deze krachten haar centrum vindt in een groep wier maatschappelijke functie het ontstaan van deze krachten bevordert. Dat is ook met de intellectuelen het geval. En wc behoeven dus niet geheel in het vage te blijven. We kunnen, met vrucht, het maatschappelijk milieu der intellectuelen onderzoeken en uit dat onderzoek afleiden of er mogelijkheden zijn voor bewustwording en verzameling van intellectuelen, dus of ze in staat zullen zijn een maatschappelijke, een politieke, rol te spelen. Intellect dat is: organisatie van ideeën, en daardoor organisatie van mensen en dingen. Daaruit volgt — het zij in het voorbijgaan gezegd — dat de werkelijke intellectueel niet in ideeën gelooft, evenmin als de werkelijke handwerksman in zijn instrumenten en materiaal gelooft, evenmin als de werkelijke boer in zijn ploeg, zijn akker of zijn koeien gelooft (verhaaltjes van het tegendeel zijn verzinsels van ongezonde, niet tot werken in staat zijnde lieden, die zichzelf al naar het uitkomt dichters of mystici noemen zonder eigenlijk iets anders te zijn dan parasieten), de
261