DE POLITIEK DER INTELLECTUELEN
DE ENIGE WEGDe intellectuelen vormen in de maatschappij een onbepaalde, maar belangrijke groep. Men zou van een „klasse” kunnen spreken, maar we doen dat liever niet om alle nutteloze kletsika over het begrip „klasse” te vermijden. Immers gesteld dat men het er over eens geworden was, dat volgens de definitie van Guizot, of van Marx, of van een ander, de intellectuelen werkelijk en waarachtig een „klasse” genoemd mogen worden, wat dan nog? Dan blijft waar, zoals we vroeger reeds hebben uiteengezet, dat voor de practijk enkel en alleen van betekenis is, of zekere groepen, door gemeenschappelijke belangen gedreven (echte of veronderstelde belangen, maar in ieder geval belangen die tot een zodanige bewustheid zijn gekomen dat ze tot een groeps-gevoel en een groeps-solidariteit leiden), tot gemeenschappelijk handelen komen, en zich dus als maatschappelijke macht laten gelden.
De vraag is nu, is het juist dat de intellectuelen een maatschappelijke groep vormen? Dat die groep „onbepaald” zou zijn, spreekt vanzelf. Alleen voor de minnaars der abstractie zijn er „bepaalde” groepen, maar dat leidt er dan ook toe dat, als volgens alle regelen van het spel „het proletariaat” of „de Industrie-arbeiders” of „de werklozen” op een bepaalde manier zouden moeten handelen, dat er dan in werkelijkheid óf anders óf helemaal niet gehandeld wordt, wat alleen verwonderlijk is voor degenen die alle factoren van den aanvang af verkeerd „bepaald” hadden.
Men zal dus moeten beginnen met te erkennen dat er natuurlijk van een streng te definiëren groep van intellectuelen geen sprake kan zijn, niet slechts omdat het onmogelijk is de grenzen te trekken tussen de volkomen intellectuelen en de half-, kwart- of nog-min-der-intellectuelen, aangezien geen test, geen examen en ook geen beroep iemand met volle zekerheid onder de Intellectuelen plaatst; maar vooral omdat in al zulke gevallen het enige werkelijke criterium is, of men zich vóór en boven alles tot de bedoelde groep voelt behoren. Om concreet te zijn: zij die zich vóór alles tot de gehoorzame zonen der Katholieke Kerk rekenen, kunnen, volgens de een of andere definitie, tot de intellectuelen gerekend worden, maar wie dat doet rekent mis, en hij zal dat, als het er op aan komt, heel onaangenaam ervaren. En wie (om vooral niet de indruk te wekken dat we hier iets anti-Katholieks of anti-religieus
260