Maar daar tegenover staan ook nadelen. Er is meer rumoer en er zijn meer mogelijkheden tot verspilling der krachten. De een zoekt het in de bestaande politieke partijen, de ander in cultuur-organi-saties, de derde wil de cultuur en de democratie verdedigen in „comité’s”. Allen willen ze de massa redden, nog voor ze zichzelf gered hebben, nog voor ze een goede reddingsbrigade gevormd hebben. Weer anderen menen dat ze hun plicht gedaan hebben als ze op hun eigen gebied, wetenschap, kunst, techniek, behoorlijk werk leveren. Dat zijn de slcchtstcn niet. Aan hun werk heeft men meer dan aan het werk van degenen die de massa willen redden. Maar toch schieten ook zij te kort, omdat ze alleen maar individualistisch handelen. Zij redden zichzelf in een te enge zin, ze redden alleen hun persoon, doch niet hun even waardevollc soort-en-kwaliteits-genoten. Zichzelf redden, dat wil zeggen in de eerste plaats de cultuur redden zonder welke men niet leven kan. En dus de cul-tuur-dragers, de élite, redden, om daarna de maatschappij te redden.
Zal dat mogelijk zijn? Zal in de tijden vóór de wcreld-oorlog en in de oorlogs- en na-oorlogsjarcn een nieuwe élite gevormd kunnen worden? En zal dat proces snel genoeg gaan om haar in staat te stellen het gebeuren te beïnvloeden? We weten het niet. Wel weten we dat een wereld die niet meer in staat is een nieuwe élite te vormen, ten ondergang gedoemd is.
259