haar politieke wereld en van uit dat centrum kreeg ze niet alleen telkens nieuwe kracht, maar ook haar diepste inzicht kwam daar vandaan. Omdat ze echter niet erkennen wilde dar die privé-wereld haar ware wereld was, en haar politieke wereld een slechte resultante van haar verzwakte, want met schaamte naar voren gebrachte, eigen inzicht, en haar capitulatie voor de heersende marxis-tisch-arbeideristische tradities, kwam ze nooit zover dat ze het eigenlijke probleem durfde te stellen. Haar politieke tegenstander Lenin, ofschoon niet vrij van eerbied voor de traditie, had hoewel minder begaafd dan Luxemburg, een mindere mate van respect voor wat men in socialistische kringen gewoon was te beweren, en bovendien stond hij niet voor de reeds gevormde Duitse sociaal-democratie, doch voor de vormloze Russische massa. Zo kwam hij er toe de vraag in hoofdzaak juist te stellen: wat moet de socialistische élite (hij gebruikte dat woord niet, doch sprak van „bewuste socialisten”, „voorhoede” of „beroepsrevolutionnairen”) doen om de massa te beïnvloeden, te leiden, zodat ze niet haar eigen opwellingen volgt, doch door onze wil beheerst wordt?
Terwijl Lenin dus de sterkste trek van z’n innerlijk leven, zijn wil tot macht, tot de as waarom z’n politiek moest draaien, maakte, heeft Luxemburg, voor wie niet de macht doch de cultuur het voornaamste was, het nooit gewaagd een cultuur-socialisme te propageren dat haar innerlijk tot uitdrukking bracht. Zo moest haar poging de massa te brengen tot een politiek die een zeer grote offervaardigheid eiste, mislukken, want de morele eigenschappen die er voor nodig waren ontspruiten aan een geheel andere cultuur-bodem dan die van de proletarische massa; Die eigenschappen kunnen aanwezig zijn bij primitieve gelovigen (die men in de industriegebieden van Midden- en West-Europa te vergeefs zoekt) of bij de mensen die hun gevoelens en hun verstand gecultiveerd hebben, op een wijze, die men bij de socialistische arbeider reeds daarom bijna niet aantrof, omdat juist de marxisten iedere andere ontwikkeling dan de economisch-politieke bestreden en als kleinburgerlijk hoonden.
Zélf konden ze niet leven zonder andere cultuur, maar ze beschouwden dat als een gevolg van hun burgerlijke afkomst. De door-en-door gezonde proletariër had die dingen niet nodig; hij had genoeg aan economisch en politiek-tactisch inzicht. Naderhand, na de verovering van de macht, zou hij wel de vrije tijd krijgen om een nieuwe, gezonde „proletarische” cultuur te maken. Voor zover ze konden, poogden de marxistische intellectuelen de culturele belangstelling der arbeiders te beperken tot de economie, de economistisch versimpelde geschiedenis, de ook versimpelde na-
250