zijn in hun optreden, alleen natuurlijk met wat grotere vaardigheid en vlotheid dan waarmee de massa zélf zich uitleeft, daar zijn ze gewoonlijk ook het populairst. Maar desondanks neemt de massa op de lange duur ook wel de betere trekken der élite over. Haar bewondering is zo groot dat ze zich zoveel mogelijk met het bewonderde wil gelijkmaken. En bovendien kan ze de druk van de telkens weer herhaalde wijze van optreden niet weerstaan.
Nog moeilijker dan een levenshouding die de, uiterlijk zichtbare, en dus gemakkelijk verkeerd te interpreteren, uiting is van het levensinzicht der mensen, is dat levensinzicht zélf, door de massa te verwerven. Als die massa zichzelf dus „socialistisch” noemt en voelt, dan is er in de meeste gevallen alleen sprake van een misverstand. Immers in werkelijkheid bedoelt ze dat ze geen honger wil lijden, een dak boven haar hoofd hebben en kleren aan het lijf. Maar reeds over de vraag wat ze dan eigenlijk eten wil, hoe ze wil wonen en welke kleren ze wil dragen, is de massa het met de socialisten niet eens. Terwijl de socialisten op al die vragen een wetenschappelijk en artistiek verantwoorde oplossing pogen te geven, heeft de massa óf een „proletarische” d.w.z. primitieve grove en onbeschaafde, of een „burgerlijke” d.w.z. verkeerd-bcschaafdc, protscrig-sentimentele oplossing. En dat geldt in versterkte mate als de zoveel mocilijkere vraagstukken aan de orde komen die onder het begrip cultuur-in-engere-zin vallen en die de morele, wetenschappelijke en artistieke levensinhoud en levenshouding betreffen.
Een enkele voorbeeld zal duidelijk maken wat we bedoelen. Rosa Luxemburg was een van de socialisten die vurig geloofden in de massa en die de scheiding tussen massa en élite zoals wij die maken, weigerde te aanvaarden en hartstochtelijk verwierp. Maar als wc haar leven nader leren kennen, zien wc dat ze er naast haar politieke wereld, die, naar ze ten onrechte meent, die van het proletarische socialisme is, nog een andere op na houdt, een wereld voor haar zelf en haar naaste vrienden, waarin de muziek van Hugo Wolff klinkt, de gedichten van Goethe de omgangstaal zijn, een pantheïstisch beleven der natuur zich verbindt met een houding ten aanzien van de mensen die van het uiterste boedhistisch erbarmen tot de uiterste hebrecuws-profetische strengheid zich uitstrekt. Zij houdt deze wereld opzettelijk gescheiden van haar politieke wereld.
Maar deze privé-wereld, waarvan ze, met haar vriendin Roland-Holst had kunnen zeggen „en dit was de ziel van mijn ziel”, „en dit was mijn binnenst gevoel”, was in werkelijkheid de kern van
249