schouwingen als de bovenstaande er in zouden worden uitgesproken. In geen van de milicu’s waar de hoofdpersoon, Pietro Spina vertoeft, zouden ze kunnen gehouden worden, en het is bovendien de vraag of Silone zelf thans reeds zó ver durft door te redeneren als wij gedaan hebben, al lijkt het ons zo goed als zeker dat hij weldra soortgelijke uitspraken zal onderschrijven. Maar in deze roman hoorden ze niet thuis en Silone zou in artistiek vakmanschap te kort zijn geschoten als hij mensen wien het filosoferen over politiek volkomen vreemd is, gesprekken van theoretische aard had laten voeren. Die fout begaat hij nergens, doch hij laat bepaalde gedachten met onweerstaanbare drang bij ons opkomen door enkel maar de tocht van Pietro Spina te beschrijven. Spina die mensen zoekt, die, een nieuwe Petrus, naar zielen vist en zo bitter weinig vangt. Wat ontmoet hij? Arme, vertrapte, lijdende mensen, vol van de eenvoudige goedheid des harten soms, maar zonder intellectuele gaven, en daardoor bekrompen en tot geen groot werk in staat. Of bekrompen, fanatieke revolutionnairen die hun manifesten verspreiden, hun krantjes en brochures aan de man pogen te brengen, en daarbij hun leven op het spel zetten, terwijl al die geschriften, zo ze al niet vol leugens staan (over Rusland, over revo-lutionnairc overwinningen in China, over verzet en ontevredenheid in Italië zélf) toch daarom leugenachtig zijn, omdat ze de voortzetting beogen van een politiek die reeds gefaald heeft en die geen zinnig mens meer vertrouwen kan inboezemen. Hij vindt goede mensen die zich in hun eigen kring terugtrekken en alleen nog maar aan hun gezin, hun liefde, hun eigen heil — tot geloof en godsdienst omgevormd — denken, naast al de lafaards, graaiers, profiteerders, en naast de berustende en degenen die de dag met z’n vele verdrietjes en enkel pleziertjes nemen zoals hij komt. Maar nergens ontmoet hij socialisme of socialisten. En het is een bewijs van Silone’s inzicht en wijsheid dat de enige man die een waarlijk socialistische gezindheid heeft, buiten het politieke socialisme staat, er nooit enige verbinding mee heeft gehad, maar z’n nimmer falende zekerheid van oordelen en handelen put uit de diepe humanistische cultuur wier verpersoonlijkhcid hij is, hij, de Katholieke priester Don Benedetto. Deze priester, die me telkens weer aan onze Guido Gczelle doet denken, die immers ook niet alleen een hart vol liefde was, maar ook een strijder voor rechtvaardigheid en tegen onderdrukking en daarom niet gezien bij de kerkelijke autoriteiten, deze pricstcr-figuur is niet meer Rooms en niet meer religieus — dat zijn slechts door tijd en omstandigheden bepaalde uiterlijke, verschijnselen aan hem — hij is een humanist, een man in wien de beschaving van het hart en de beschaving van het verstand, tot
243