jeugdbeweging en in de Italiaanse C.P. politiek werk verricht, hij heeft dat als emigrant voortgezet en hij heeft een geschiedenis van het Italiaanse fascisme geschreven die ver boven het gewone pro-cn contra-geschrijf uitstak. Reeds in dit boek over het fascisme, hoezeer ook nog onder de invloed van de traditioneel socialistische theorieën staande, legde hij een opvallende onafhankelijkheid van oordeel aan den dag, liet hij zien hoezeer hij b.v. het frazenrijke „maximalisme” door had, en hoe hij de politiek van alle Italiaanse socialisten, die zich meestal alleen met de „arbeiders” — industrie-of landarbeiders — bezighield, een enkele maal met de boeren, maar nooit de middengroepen en de intelligentsia, als een van de oorzaken der successen van het fascisme beschouwde. Hier was een socialist, die het waagde te denken, zelfs als het denken hem buiten de heilig verklaarde gebieden voerde. Hier sprak een man die voor ontwikkeling vatbaar was.
Dat die man tevens een groot kunstenaar was, dat had „Fonta-mara” bewezen. Over de plaats die dat boek in de litteratuur inneemt wil ik hier niet verder spreken. Het zou me te ver voeren uiteen te zetten hoe zeer die artistieke autoriteiten er naast waren, die „Fontamara” zonder meer vergeleken met Malraux’ „Menselijk tekort”, en dan wezen op de zoveel schonere klank van Malraux’ proza, op de zoveel grotere rijkdom in schier alle opzichten, van de zinsconstructie tot en met de gevoelswereld der mensen, waarvan Malraux’ bock blijk gaf. Dat alles is natuurlijk waar, maar dat alles was bij voorbaat bepaald door de natuur van het materiaal waarmee beide schrijvers werkten. Het boek van Malraux houdt zich uitsluitend bezig met „intellectuelen” ook al zijn die intellectuelen soms gewezen arbeiders die zich tot bcrocps-rcvolu-tionnairen ontwikkeld hebben, klaplopende aristocraten of speculerende zakenlieden. De minste hunner heeft een gevoelswereld die honderd maal meer facetten heeft, die duizendmaal gecompliceerder is, dan het gevoelsleven — en natuurlijk ook het materiële leven — der „cafoni” die Silone beschrijft. Fn dat fundamentele verschil moet in iedere zin, in ieder beeld, in de klank van het proza tot uiting komen. Ware het anders, er zou geen kunst bestaan, doch slechts èèn proza, èèn muziek, slechts èèn kunstvorm. Het domme, doffe, naakte bestaan der allerarmste Italiaanse boeren en landarbeiders, eist een kunstvorm zoals die van „Fontamara”. Het getuigt voor Silone’s artistieke kunnen, dat hij, een zeer rijk mens, zowel naar gevoel als naar intellect, deze bijna onbegrijpelijke armoede, te arm bijna om nog voor uitbeelding in aanmerking te komen, wist weer te geven en daarbij slechts een heel enkele maal even buiten de sfeer stiet.
*37