hogere klasse behoort dan Aldous Huxley in z’n „Point Counter Point” ofschoon Huxley de indruk maakt veel scherpzinniger te zijn dan Lawrence en glimlachend op de problemen neer te zien, waarmee Lawrence worstelt.
Maar misschien begrijpen sommigen wat ik bedoel, als ik zeg dat de scherpzinnigheid van Huxley toch maar schooljongens- of studentenscherpzinnigheid is, terwijl de onbeholpenheid van Lawrence, die van een volwassen man is. En misschien is het sommigen duidelijk geworden dat Huxley werkelijk nog maar een knaap is, en het vermoedelijk wel altijd blijven zal, nu ze hebben gezien hoe hij een hersenloos en wereldvreemd pacifisme weet te verbinden met „sympathie” voor het roofdieren-régime van de familie Stalin. Een fascist die dóór en dóór fascist is en die alles met die overtuiging doordrenkt, zo iemand kan op litterair gebied een meesterwerk scheppen, zoals Ernst von Salomon’s „Geachteten”, maar een antifascist die niet in staat is het fascisme te herkennen als het zich een klein beetje vermomt, zo een is een klungel en dat stuk klungelachtigheid in hem, zal hem altijd en overal dwars zitten en hem beletten ook maar één gaaf stuk werk te leveren. Of juister misschien, Huxley is In laatste instantie een poseur, zoals ook Mal-raux, zij het op een heel andere wijze, een poseur is — een poseur is, om alle misverstand te voorkomen, niet iemand die naar buiten een houding aanneemt, wat bijna onvermijdelijk is in een gevaarlijke valse en stomme wereld, maar iemand die naar binnen, tegenover zichzelf, een rol blijft spelen — de één als scherpzinnige en de ander als held.
Doch laat ik niet afdwalen en volstaan met deze illustraties van m’n onvermogen om normale litteraire critiek te leveren. Een onvermogen dat gemakkelijk te verklaren is, immers de gewone litteraire criticus legt steeds, zonder er zich ook maar enigszins van bewust te zijn, een politieke maatstaf aan, d.w.z. hij gaat een boek te lijf, gewapend met z’n hele bundel politieke (maatschappelijke, ethische, wijsgerige) vooroordelen, terwijl hij zich wijs maakt onbevooroordeeld te zijn, en alleen maar op artistieke waarden (waarvan hij trouwens óók geen benul heeft) te letten. Wat mij betreft, ik ben me zozeer bewust van m’n politieke vooroordelen dat ik zonder enige moeite de politieke positie van Iedere schrijver en de politieke betekenis van ieder boek kan ontdekken om, na aldus klaarheid te hebben gebracht In de troebele massa artistieke en politieke waarden die men „een roman” pleegt te noemen, na te gaan in hoever een boek, binnen z’n eigen politiek systeem, artistiek geslaagd is. Als een boek me dus bevalt omdat ik het met de politiek (of zoals men dat pleegt te noemen, met de „wereldbe-
234