voorrechting door het geld, van vaste gilden, corporaties. Dat gevaar is het geringst in een liberale maatschappij, in een wereld van botsingen der meningen, van critick, van vrijheid, in een wereld die alleen de aristocratie van het talent erkent, en die door haar sociale welvaartspolitiek, door haar politiek van beschaving — en de daarbij behorende opvoeding — inderdaad de carrière opent voor alle talenten. Ook voor de kinderen van de gewone gemiddelde burgers.
Want die kunnen, als zij talent hebben, alles bereiken, wanneer het uitgangspunt niet langer ontbering is (zoals bij onze proletariërs-kinderen) doch welvaart, zoals in de socialistische maatschappij. Het is immers een feit dat thans reeds in de Westerse landen, de kinderen uit de kleine- en bcter-gesitucerde-middenstand nagenoeg alle functies van betekenis bekleden. Dat komt omdat ze als uitgangspunt de minimum-wclvaart hadden die nodig is voor de ontplooiing van gemiddelde gaven (over geniale persoonlijkheden spreken we niet. . . zelfs Nomad erkent, dat zij het hoogste kunnen bereiken van af het laagste uitgangspunt). En waar het dus op aankomt is, in een vrije en beschaafde maatschappij aan allen die minimumwelvaart te verschaffen en er tevens voor te zorgen, dat tussen dat minimum en het maximum slechts een geringe afstand ligt. De prikkels, nodig om naar het hoogste te streven, liggen dan niet langer in het inkomen, doch in de waardering die een critischc maatschappij aan z’n beste mensen geeft ‘).
Een dergelijk socialisme is dus niet anarchistisch, al is het vrijheidsgezind, critisch en op de ontplooiing van het individu gericht — voldoende, dunkt me om de niet-dogmatische anarchisten voorlopig tevreden te stellen. Het is veeleer „aristocratisch”, omdat het de noodzakelijkheid van leiding erkent en die leiding in handen der besten legt. Het is „democratisch” omdat het weet, dat een aristocratie telkens opnieuw gevormd moet worden in een proces waaraan het gehele volk moet deelnemen, zodat ook het gehele volk in het bezit moet zijn van politieke rechten en politieke organen, waardoor het in staat is de leiding der gemeenschap aan te wijzen en voortdurend te controleren. Slechts een aristocratie die zo voortdurend haar talent moet bewijzen is ’n werkelijke, een gestaalde en wakkere aristocratie.
Een dergelijk socialisme is reformistisch, omdat het zich tot taak
E Voor zover die prikkels natuurlijk niet liggen in de psychische structuur van de mens, die, ook zonder maatschappelijke waardering, ja trots alle maatschappelijke tegenstanden, naar steeds grotere volmaking streeft. Zonder dit non-conformisme in de zeer bijzondere mensen is iedere maatschappij, hoe ook georganiseerd, tot verstarring gedoemd.
229