sterke grondslag heeft, in het machinisme, de techniek, de wetenschap en de daarop berustende industrie en landbouw. Het tijdperk waarin de schaarste noodzakelijk was, is ten einde. De productie van overvloed is een zo natuurlijk verschijnsel geworden, dat zelfs de achterlijke en verkeerde organisatie van de maatschappij, het stijgen van het levenspeil niet heeft kunnen beletten.
Zo is dus, voortgaande in de richting van de groei naar het socialisme waarover we hierboven reeds spraken, een organisatie der productie en der distributie mogelijk, waarbij het minimum-levens-peil ver boven alle ontbering en armoede komt te liggen, een toestand waarbij de maatschappij zich de weelde kan veroorloven zélfs haar onbegaafdste leden als welvarende mensen te behandelen. En dezelfde factoren die dit mogelijk maken, voeren eveneens tot het verdwijnen van de koelie-arbeid, de harde, vernederende, vieze vereelte-knuisten-arbcid, die in een snel tempo door de machines wordt overgenomen. Bovendien is, tenminste als overgangstoestand, een stelsel van burgerlijke dienstplicht mogelijk, waardoor de gehele jeugd der maatschappij het vieze werk te verrichten krijgt dat thans door de „arme drommels” gedaan wordt.
Met dat al zijn de armen van geest natuurlijk niet opgeklommen tot de geestelijke adelstand. Maar wie beweert dat ze dit verlangen? De ervaring heeft ons immers al lang geleerd, dat de overgrote massa der mensen meer dan tevreden Is met een genormaliseerd bestaan, als dat bestaan maar op het niveau van de welvaart ligt, een bestaan zonder honger, misère, onzekerheid, onveiligheid, een bestaan zonder onderdrukking, bruskéring, vernedering, een bestaan, met gemiddelde variaties en gemiddelde genoegens. Slechts de weinigen verlangen naar geestelijke avonturen, naar zelf-gezochte moeilijkheden, naar zware verantwoordelijkheden, naar de gevaren en de plichten van het leiding-geven. Houdt men rekening met deze feiten, dan verdwijnt het anarchistische bezwaar nagenoeg geheel, en dan is in ieder geval de factor van de revolutie der arme drommels evenzeer uitgeschakeld als het gevaar van de opstand der horden.
Het werkelijke gevaar ligt dan niet meer aan de basis, maar aan de top der maatschappij. Het ligt in wat Pareto noemde de degeneratie der éliten, In de zelfgenoegzaamheid, verstarring, gemakzucht dergenen die de leiding hebben. Maar dat gevaar is het grootst in een maatschappij van erfelijkc adel, van erfelijke be-
228