van onze medemensen. Kortom, laten we de broederschap maar voor wat ze is, en laten we streven naar een wat beschaafdere wereld, naar „beschaving”.
Is het met de „gelijkheid” niet ongeveer hetzelfde gesteld? Het woord stinkt naar kazernes en soldaten-pakken, bruine, zwarte of rode hemden. En voor een deel heeft het al de onmogelijkheden in zich van de „broederschap”, die immers ook een soort „gelijkheid” van gevoelens en smaken t.o.v. ieder veronderstelt. Wat dat betreft, kunnen wij het dus verder buiten beschouwing laten.
Voor de rest doet men beter uit te gaan van de fundamentele ongelijkheid en zich al te vragen of het werkelijk een ideaal kan zijn naar gelijkheid te streven, inplaats naar ontplooiing der ongelijke persoonlijkheden. Wat men met gelijkheid bedoelt is immers niets anders dan gelijke maatschappelijke kansen, die alleen daar aanwezig zijn, waar geen politieke bevoorrechting voor kinderen van bepaalde families, standen, rassen e.d. meer bestaat; en waar geen bevoorrechting kan ontstaan, doordat de èèn te midden van rijkdom opgrocit en de ander te midden van ontbering. Anders gezegd, daar waar de politieke grondrechten aanwezig zijn, die een belangrijk stuk van onze „vrijheid” vormen, daar bedoelt men, als men de ongelijkheid wil aantasten; het doen verdwijnen van de armoede bij de overgrote massa van de bevolking, en van een wanstaltige rijkdom, waaraan een kleine groep een overmaat van macht en mogelijkheid tot onverantwoordelijke willekeur ontleent. Waar het dus om gaat, dat is de verhoging van het gemiddelde welvaartspeil, het doen verdwijnen van de paupers, de mensen die beneden het minimum leven, zowel als het doen verdwijnen van parasieten en brassers. Maar in het gemiddelde dat dan overblijft, zal natuurlijk geen gelijkheid zijn, doch differentiatie, en het lijkt me niet zo bijster belangrijk om de aandacht te richten op die kleine ongelijkheden en met inspanning van alle krachten alle mensen tot een gelijk leven te willen dwingen, inplaats van te doen inzien, dat het voornaamste is: de algemene „welvaart” waardoor het minimum zo hoog wordt, dat het een beschaafd bestaan mogelijk maakt, terwijl het maximum niemand in staat mag stellen al te ver boven het gemiddelde uit te komen en alleen in zeer zeldzame gevallen kan worden bereikt. Vandaar dat niet „gelijkheid” het parool kan zijn, doch „welvaart”.
Voor zover we met „vrijheid” te maken hebben is het duidelijk, dat alleen de aanwezigheid van een grote mate van welvaart, de vrijheid uitheft boven een recht dat men wel bezit, doch waarvan men geen gebruik kan maken, omdat de zorg voor het bestaan het gehele leven zo in beslag neemt, dat het volkomen uit dierlijke
220