Verdediging van het Westen

Titel
Verdediging van het Westen

Jaar
1947

Pagina's
298



ondoordacht en kinderachtig, omdat ze op z’n best zou gelden voor de Neanderthalers of de Cro-Magnon-mensen of hun voorvaderen, die noch over een materiële, noch over een culturele grondslag beschikten. Met ons is het nu eenmaal zó gesteld, dat onze wereld èn een productie-apparaat èn een cultuur heeft. Toegegeven dat ze alle twee In sterke mate onvoldoende zijn — we gaan toch waarlijk niet uit van het absolute niets, maar integendeel van grote aanwezige en nog veel grotere potentiële rijkdommen.

Dat die beter verdeeld, beter georganiseerd, en sterk vergroot moeten worden, willen we nogmaals herhalen. Maar gebeurt dat als we alleen voor de productie zorgen en de rest hieraan opofferen en ondergeschikt maken, of erger nog, die rest behandelen als een onderdeel van de economie, dat alleen maar tot taak heeft, te zorgen dat de economie als gesmeerd loopt, dat er steeds meer maïs en steeds meer machines geproduceerd worden en dat er een mensentype ontstaat, dat in het produceren van maïs en machines z’n opperste levensdoel vindt.

De cultuur in z’n engere doch in z’n werkelijkste betekenis is echter een zaak van de niet-producerende mens, van de mens die de productie in het geheel niet meer als doel, doch uitsluitend als middel beschouwt, als middel dat hem in staat stelt vrij te zijn en allerlei volkomen overbodige, onnutte, dwaze en fantastische dingen te doen en te bedenken.

Zozeer moet de productie tot middel geworden zijn, wil er van cultuur gesproken kunnen worden, dat ze als iets even vanzelfsprekends voor ons geworden moet zijn als onze ademhaling, onze bloedsomloop en het „productie-proces” van al die talloze cellen en klieren en organen in ons lichaam, al die millioenen „fabrieken” die in ons werken en die we volkomen negéren en vergeten, als de rozengeur of de maneschijn, de liefde en de muziek, de poëzie en de raadselen van het bestaan ons in beslag nemen.

Er is ternauwernood een grotere dwaling denkbaar dan die van Friedrich Engels, die meende dat eerst het socialisme ons de over-gang van het rijk der noodzakelijkheid naar het rijk der vrijheid zou mogelijk maken. Die overgang Immers is ook in een niet-socialis-tische maatschappij Iedere dag aan de orde. Millioenen mensen voltrekken die overgang onophoudelijk, als ze zoiets als vreugde of smart beleven, als ze mijmeren of zingen, bidden of hopen. Het is waar, hun „vrijheid” ziet er meestal dof en wanstaltig, banaal en stumperig uit. Maar dan kan dus daarin alleen de verdienste van het

2Ï4

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.